Wèg regen, wèg Tang, wèg Ming

Een klein stukje kalksteen uit een grot in China vertelt waarom Chinese keizergeslachten telkens ten onder gingen. De moesson bleef te lang weg.

Prachtige en sterke Chinese keizers waren het, de leden van de Tang-, de Yuan- en Ming-families die telkens voor honderden jaren van vader op zoon regeerden. En toch, telkens weer kwam aan hun macht een einde. In het enorme keizerrijk China betekende de ondergang van zo’n keizerlijke familie altijd: burgeroorlog, plundering en ellende. Na de Tang-dynastie kwam de periode van de Vijf Dynastieën en de Tien Koninkrijken: verdeeldheid en strijd. Nog altijd wil de Chinese regering het volk geen democratie geven omdat het bang is dat dan het land uit elkaar valt. Maar waardoor verdween zo’n keizerlijke familie? Was de laatste keizer altijd een sukkel?

Op een heel vreemde plek hebben wetenschappers nu informatie gevonden over het einde van de heerschappijen. In een stukje van een centimeter of tien van een druipsteen in een grot konden ze ongeveer per twee jaar zien wat het weer was geweest in China, over een periode van 1810 jaar. Druipsteen ontstaat aan de plafonds van onderaardse grotten waar water naar binnen druppelt. De stoffen in het water komen in de druipsteen terecht. En als het een jaar erg nat of droog weer is, verandert de samenstelling van de druipsteen.

En wat bleek: juist aan het einde van de grote Chinese keizersgeslachten heerste er tientallen jaren droogte en gebrek aan regen. Dáárom was er opstand en onrust: er was te weinig eten. De boeren hadden honger. De moesson, de sterke regenwind van zee, bleef weg. En dus wèg Tang, wèg Yuan, wèg Ming.

Hendrik Spiering