'Wat was ik blij dat ik weer kon lopen'

Karen Venhuizen (24) is een kunstrijdster met doorzettingsvermogen. Zelfs extreme ziektes kregen haar niet klein. „Uit pure liefde voor de sport.”

Ontmoediging lijkt geen vat te krijgen op Karen Venhuizen. Of ze nu met anorexia nervosa worstelt, geveld is door het syndroom van Guillain-Barré of, zoals momenteel, wordt gehinderd door een grimmige heupblessure, de kunstrijdster is vasthoudend in haar ambities.

Tegenover alle tegenslagen in haar carrière stonden zo veel hoogtepunten, dat Venhuizens motivatie nog niet aan erosie onderhevig is. Bovendien gloort aan de horizon Vancouver, de Canadese stad waar ze in 2010 bij de Winterspelen haar olympische aspiraties hoopt te realiseren.

Op de Heerenveense ijsbaan Thialf schaatst sinds twee maanden weer een jonge, van gezondheid blakende vrouw aan wie niet te zien is dat ze acht maanden terug zonder te morsen alleen uit een tuimelbeker kon drinken en in een revalidatiecentrum opnieuw moest leren lopen. Het is wonderbaarlijk zoals diezelfde vrouw weer over het ijs danst, sprongen maakt en pirouettes draait.

Minstens zo verbazingwekkend is haar gemoedstoestand. Geen spoor van verslagenheid of zelfbeklag. Integendeel, Venhuizen blijkt een bevlogen sportster vol optimistische toekomstverwachtingen. Haar enige ergernis betreft die vermaledijde heupblessure waarvan de artsen maar niet de juiste diagnose kunnen vaststellen. Venhuizen hoopt binnenkort op een positieve uitslag van een MRI-scan, waarna ze eind volgende maand haar tiende Nederlandse titel kan veiligstellen. De kunstrijdster moet er niet aan denken opnieuw door medisch leed te worden teruggeworpen; ze heeft haar portie wel gehad.

En de tragiek kan onverwacht opdoemen, ervoer Venhuizen in februari van dit jaar, kort na haar veertiende plaats bij de EK in Zagreb, haar beste prestatie ooit. Plotse tintelingen in handen en voeten gingen over in zwalkend lopen en binnen twee dagen lag ze bewegingloos en krimpend van de pijn aan het infuus in het Universitair Medisch Centrum in Groningen. De vaststelling: het syndroom van Guillain-Barré. Van wat? Venhuizen had er nog nooit van gehoord. De oorzaak? In haar geval een virusinfectie, zoals bloedonderzoek uitwees.

Maar een panische reactie bleef uit, ook al kreeg Venhuizen te horen dat ‘Guillain-Barré’ een zenuwaandoening is die tot verlamming leidt. Het goede nieuws was dat de kans op herstel vrijwel is gegarandeerd. „Daar hield ik me aan vast”, verklaart Venhuizen haar primaire, nuchtere reactie. „Ik dacht: oké, dit seizoen is voorbij. Eerst gezond worden, dan revalideren en vervolgens zien of ik het volgende seizoen haal. Natuurlijk was ik emotioneel, maar minder dan je zou verwachten. Hoe dat komt? Ik denk dat ik in de loop der jaren een afweermechanisme voor tegenslagen heb opgebouwd.”

Venhuizen praat over haar ziekteperiode alsof het een griepje betrof. In werkelijkheid lag ze vier weken in het ziekenhuis om vervolgens zes weken te revalideren. Alle functies moest ze opnieuw leren, van zitten en drinken tot lopen. „Het was wezensvreemd, omdat de automatismen ontbraken. Ik kon nog niet met een lepeltje in de thee roeren En het ene been voor het andere zetten was evenmin vanzelfsprekend. In het begin viel ik ook voortdurend om. Het was een gevecht om metertjes. Goh, wat was ik blij dat ik weer kon lopen en daarna weer naar huis kon.”

Haar herstel verliep dusdanig voorspoedig – „met dank aan mijn topsportmentaliteit” – dat Venhuizen het in juni, bij de ingebruikname van ‘zomerijs’ in Thialf, niet kon laten de schaatsen onder te binden. De kunstrijdster was benieuwd of ze ook opnieuw moest leren schaatsen. Dat viel mee, al gingen de eerste slagen wat wankel. „Het was vertrouwd maar onwennig. En sinds ik in september de training heb hervat, voelt alles als vanouds. Ook mijn coördinatie is terug, want ik kan weer drievoudige sprongen uitvoeren. Niet vaak achter elkaar, omdat ik conditioneel nog niet op peil ben, maar dat is een kwestie van tijd.”

Het was niet de eerste keer dat Venhuizen een gevecht met een hardnekkige kwaal moest leveren. In de periode 2001-2004 overwon ze ook de eetstoornis anorexia. De meervoudige Nederlands kampioene schrijft de oorzaak toe aan een combinatie van de teleurstelling over de gemiste Spelen van 2002 in Salt Lake City, de tijdelijke absentie van coach Syliva Holtes wegens zwangerschap en haar pubertijd. „Je zoekt dan naar zaken waarover je controle hebt en bij mij was dat het eten. Ik dacht: als ik een paar kilo kwijtraak, ga ik beter schaatsen. En tijdens rustperiodes at ik nog minder. Niet nodig, vond ik, omdat ik ook weinig verbrandde. En zo zakte ik steeds verder weg, tot ik uiteindelijk nog maar 42 kilogram woog.”

Op haar dieptepunt at Venhuizen vooral sla en af en toe een boterham. Ze had oude lijstjes van een diëtiste opgediept om een leidraad te hebben. „Die waren gerubriceerd onder de kopjes ‘bij voorkeur’, ‘met mate’ en ‘bij hoge uitzondering’. Ik skipte de eerste twee en hield me aan die laatste. En als je dat maar lang genoeg volhoudt, verdwijnt het hongergevoel vanzelf.”

Venhuizen wist op een goed moment dat ze anorexia had. Maar met de acceptatie van het probleem was de oplossing niet gevonden. „Dat is het rare. Je weet donders goed dat je fout bezig bent, maar je kunt er niet los van komen. Er zijn voortdurend twee stemmetjes in je hoofd. De een zegt: ja, het gaat goed. En de ander zegt: nee, zo gaat het niet goed. Maar intussen word je gesloopt. Ik heb nooit een verslaving gehad, maar ik denk dat het gevoel daarmee te vergelijken is. Op een goed moment snap je ook dat je te licht bent en moet terugkeren naar je streefgewicht. Maar om daar te komen moest ik kilo’s aankomen. En daar had ik totaal geen zin in.”

Met behulp van vriendinnen en een haptonoom overwon Venhuizen uiteindelijk haar anorexia. En niet met psychologen, bij wie ze aanvankelijk te rade ging. „Met die mensen kon ik totaal niet overweg. Ik stond er niet voor open. Alles wat de psycholoog zei probeerde ik te weerleggen. Dat botste, de boodschap kwam niet aan. Haptonomie bleek wel te werken. Ik kon het probleem alleen lichamelijk oplossen, niet via mijn hoofd. Het is een heel gevecht geweest, maar uiteindelijk ben ik er sterker uitgekomen. Nu heb ik mijn eetpatroon volledig onder controle.”

Venhuizen is er van verlost, maar anorexia komt volgens haar nog veel voor in de sport. „Vooral onder kunstschaatssters. Maar het probleem is volgens mij dat de meeste uit de sport verdwijnen door demotivatie na tegenvallende resultaten. Ik ben een uitzondering, mede doorat ik op nationaal niveau goed bleef presteren. Internationaal lag dat anders. Ik was in 2003 bij de EK, terwijl ik dacht: ‘wat doe ik hier? Ik wil naar huis’. Ik was totaal niet in staat mijn niveau te halen. Ik schaamde me tot de deelneemsters te behoren.”

De tegenslagen zouden het beeld van een wanhopig mens kunnen oproepen. Maar niet in het geval Venhuizen. De kunstrijdster oogt weer als een stabiele sportvrouw, die hunkert naar succes. Ze wil eind december weer Nederlands kampioen worden. En volgend jaar meedoen aan de EK in Helsinki en de WK in Los Angeles, want over vijftien maanden wil ze haar carrière waardig afsluiten bij de Olympische Spelen in Vancouver. „Tegen die tijd ben ik er wel klaar mee, denk ik.”

Voor die tijd stoppen heeft Venhuizen geen moment overwogen. „Waarom zou ik? Kunstrijden betekent zo goed als alles voor me. Dat ik maar doorga is pure liefde voor de sport. Natuurlijk, ik had voor de gemakkelijke weg kunnen kiezen. Maar dat ligt niet in mijn aard. Nooit gedaan, trouwens. Ik wilde na de basisschool bijvoorbeeld coûte que coûte naar het gymnasium, terwijl dat in mijn omgeving ook werd afgeraden. Te belastend in combinatie met topsport, werd gezegd. Ik heb doorgezet en mijn diploma gehaald. Studeren betekent voor mij de zinnen verzetten. Ik heb ook twee jaar alleen geschaatst, maar ik miste de sociale contacten. Die heb ik niet in het kunstschaatsen. Ik train in Heerenveen met meisjes van dertien, veertien jaar. Ik studeer nu communicatie- en informatiewetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen en dat bevalt uitstekend.”

Venhuizen heeft zich ook nooit laten ontmoedigen door het eeuwige gebrek aan geld bij het kunstrijden in Nederland. Maar haar vergoeding van de schaatsbond (KNSB) en studiefinanciering is niet toereikend om kostendekkend te schaatsen. „Van de 20.000 euro per jaar moet ik er zelf nog altijd een nulletje of zeven, acht bijleggen. En dat is behoorlijk pittig. Nee, ik heb niet één sponsor. Ik ben al blij dat Thialf ijs beschikbaar stelt, omdat die mensen het kunstrijden graag op een hoger plan willen brengen. Nee, ik leid bepaald geen luxe leventje.”

En dan te bedenken dat onder hetzelfde dak van Thialf, letterlijk enige meters verwijderd van de kunstschaatsbaan, de langebaanschaatsers financieel onbezorgd hun rondjes rijden. „En die schaatsen alleen linksom”, schampert Venhuizen, die enige jaloezie moeilijk kan onderdrukken. „Ja, dat stemt wel eens moedeloos. Omdat het verschil in beloning zo groot is, terwijl ik minstens zo hard werk. Het is oneerlijk verdeeld, omdat het langebaanschaatsen in tegenstelling tot kunstrijden mondiaal weinig voorstelt. Ik begrijp het wel, want schaatsen is een volkssport. En ik gun het ze ook. Maar ik zou in financiële zin graag meeliften.”

Misschien dat de situatie verbetert als de kunstrijders zich afscheiden van de schaatsbond, zoals het plan is. Venhuizen weet het niet, omdat ze zich verre van het schisma houdt. „Ik vind het moeilijk om me in het conflict te mengen, omdat ik nog met de KNSB te maken heb. Ik heb geen last van de bond, hoewel ik heb begrepen dat onze sport er bij de verdeling van het geld van de internationale schaatsunie (ISU) bekaaid vanaf komt. Als ik ben gestopt, wil ik me wel in die politiek storten. Maar zo lang ik schaats, is het raadzaam buiten het conflict te blijven.”