Tweede mening

Wie gaat werken in het medisch onderzoek wordt een vraagbaak. Kennissen vragen naar vorderingen in het vakgebied, maar vooral wat er aan hun eigen kwalen te doen is. Biomedische onderzoekers zijn vaak geen patiëntendokters en soms helemaal geen dokters. Zij weten veel van het ingewikkelde mechanisme van de celdeling, maar niet waarom die celdeling in de prostaat van de heer Jansen op hol is geslagen en zeker niet wat daar nu het beste aan gedaan kan worden.

Kennissen houden echter aan. Zij hebben meer last van hun eigen kwalen dan van hun gebrekkige kennis over de celdeling. Het begint vaak achteloos: “Een man op mijn werk, Bert Jansen, heeft prostaatkanker, terwijl hij pas 45 is. Is dat niet gek?” Ja, dat is wel wat jong. “Zijn vader is er ook al aan doodgegaan. Zou het in de familie kunnen zitten?” Tja, dat zou kunnen. Familiaire aanleg voor prostaatkanker komt voor, maar helaas kennen wij de genen die bij die aanleg zijn betrokken nog niet goed.

Na nog een rondje bridge, komt dan de aap uit de mouw. Bert Jansen is eigenlijk niet een meneer op het werk, maar een neef en allerminst aangetrouwd. Bert en de bridger zijn bloedverwanten. De spreker zou dus wel eens de volgende in de familie kunnen zijn die prostaatkanker krijgt. Dan maar ieder jaar het PSA laten bepalen. PSA staat voor prostaatspecifiek antigeen, een eiwit dat in de prostaat wordt aangemaakt en dat uit de prostaat naar de bloedbaan lekt als er iets mis is met de prostaat. Een oplopend PSA-gehalte van het bloed is daarom een reden voor aanvullend onderzoek naar mogelijke prostaatkanker.

Zulke adviezen kan iedere

medische onderzoeker nog wel geven. Ook een bioloog die in een kankerinstituut aan het mechanisme van de celdeling werkt, weet wel iets van aanleg voor kanker, en anders kan hij het opzoeken. Moeilijker wordt het als er advies wordt gevraagd over de beste behandeling. Behandeling van prostaatkanker is ingewikkeld. Ook de meeste patiëntendokters weten daar het fijne niet van. Als adviseur kun je dan weinig anders doen dan makelen. Uitvinden wie goed is in prostaatkankerbehandeling en Bert Jansen daar naartoe sturen. Omdat Bert al bij een dokter loopt, betekent dat toch vaak een second opinion.

Kun je dat wel doen, als patiënt,

een tweede mening vragen? Dat kan en goede dokters doen daar niet moeilijk over. Laatst stond daar een aardig stuk over van Marlies Mielekamp in Medische Oncologie. De kop van het stuk zegt het al: “Altijd volledig meewerken bij een verzoek om second opinion”. Dat is de mening van de geraadpleegde oncologen en dat spoort ook met mijn ervaring. De diagnose kanker is altijd bedreigend en soms een doodvonnis. Een enkele keer is een patiënt niet tevreden over zijn dokter, maar meestal zoekt de patiënt meer zekerheid en geruststelling bij een tweede dokter, zo is uit Rotterdams onderzoek in 2003 gebleken. Patiënten krijgen vaak dezelfde boodschap, maar accepteren die de tweede keer makkelijker.

Dat patiënten willen weten

of die dokter gelijk heeft en of er echt geen genezing mogelijk is, kan iedere serieuze oncoloog billijken. Wel kan er van alles mis gaan bij zo’n second opinion en daarvan geeft Mielekamp een hele waslijst. Er zijn nog steeds dokters die rebelleren, omdat ze een tweede mening beschouwen als argwaan tegen hun eerste mening. Dat kan er soms grof aan toegaan en dan weet de patiënt hoe laat het is: wegwezen. Er zijn echter subtiele vormen van rebellie, waar de patiënt minder van merkt. Voor er een tweede mening kan worden gegeven, moet wel de eerste mening duidelijk geformuleerd zijn. Niet iedere dokter neemt de moeite om een duidelijke brief mee te geven. Soms loopt de patiënt te hard van stapel en rent naar een tweede dokter voor de eerste dokter een behandelplan heeft kunnen formuleren. Kankerpatiënten hebben altijd haast, maar die haast is zelden medisch nodig. Gezwellen groeien langzaam en wie er tijdig bij is, kan de tijd nemen voor een tweede mening.

Sinds kort biedt ziektekostenverzekeraar CZ

een tweede mening aan van “Best Doctors”. Die “Best Doctors” zitten in een club van buitenlandse topspecialisten, die bereid zijn patiënten op afstand te beoordelen aan de hand van schriftelijke gegevens. Dat is nogal wat. De gegevens moeten vertaald worden in het Engels, dan moet een deskundige worden gezocht en dan duurt het nog even voor die buitenlandse deskundige een mening heeft geformuleerd.

Veel enthousiasme is er niet bij Nederlandse oncologen voor dit “Best Doctors”-initiatief. De reacties variëren van “goedkope propaganda van ziektekostenverzekeraar CZ” tot “krankzinnig”. Medisch oncoloog Wim ten Bokkel Huinink ziet geen voordeel voor Nederlandse kankerpatiënten: “Dat patiënten de beste arts willen, is natuurlijk best. Maar om zo’n tweede mening in het buitenland te laten doen, is weggegooid geld! De Nederlandse geneeskunde staat op een hoog peil en er is geen enkele reden om aan te nemen dat het in België of Duitsland – om die landen gaat het naar mijn ervaring vaak – beter is. Bovendien bestaat het risico dat Belgische of Duitse artsen patiënten medicijnen adviseren die hier niet verkrijgbaar zijn en dan zit de arts in Nederland weer met zijn handen in het haar om dat aan de patiënt uit te leggen. Het is echt klanten lokken met een raar aanbod, want de klanten van CZ hebben al ruime mogelijkheden om in eigen land een second opinion aan te vragen.”

In mijn omgeving gaat bijna iedereen

aan kanker dood. Mijn kennissen roken niet, blijven mager door karig te eten en sporten veel. Dan resteert kanker als doodsoorzaak. Als het mij ook bereikt, trek ik niet voor behandeling naar het buitenland en ik zal mij zeker niet door ‘‘Best Doctors’’ laten adviseren. Wat moet ik met een onpersoonlijk schriftelijk advies als ik mij ook kan laten raden door een Nederlandse toponcoloog van vlees en bloed? Ik steun niet door dik en dun de plaatselijke middenstand, maar bij kanker denk ik dat ik hier in Nederland het beste af ben.