Stipt hobbelen

In Albanië is de trein een curiosum. De oude treinen zijn ideaal om langzaam het land te verkennen.

De trein is amper tien minuten onderweg als er een luide knal klinkt. Een steen heeft een fikse ster in de ruit van de coupé geslagen. Langs het spoor rennen een paar jongens weg. „Je moet aan de andere kant gaan zitten!”, waarschuwt een medepassagier. „Maak je geen zorgen”, zegt een passerende conductrice onverstoorbaar. „Kijk, dubbelglas, niks aan de hand.”

Hoe herken je een Albanese trein? De ramen zitten vol barsten. Of er zit géén raam meer in. Nog veiliger, want de lol van het ‘treintje pesten’, dat zich afspeelt in de buitenwijken van Tirana, is weg. En je kunt tijdens het reizen uit het raam hangen. Een prettige bijkomstigheid in een warm en zonnig land.

Wat de priester weet van De Liefde, weet de Albanees van de locomotief, zo tekende schrijver A. den Doolaard op in De Herberg met het Hoefijzer (1933). Vijfenzeventig jaar later is de trein in Albanië nog steeds een curiosum. Op de treinstations – eenvoudige, kleurrijke gebouwtjes – is de tijd stil blijven staan, het is er uitgestorven. Uitgerangeerde wagons zijn nu het domein van zwerfkatten en -honden, en soms van mensen.

Het schamele wagonpark dat nog dienst doet, bestaat uit afgedankte Oostenrijkse, Poolse en Italiaanse rijtuigen, onder aanvoering van Tsjechoslowaakse diesellocomotieven. Het spoornet – 447 kilometer enkelspoor – is het enige niet-elektrische net van Europa en verkeert in deplorabele toestand. Treinen kunnen maximaal 40 kilometer per uur rijden. Dagelijks rijden er dertien. In het hele land. Waarvan zeven op het snelste en populairste traject, tussen hoofdstad Tirana en het nabijgelegen Durrës. Wie een paar dagen in de trein zit, kent het voltallige spoorpersoneel.

Tijdens het totalitaire regime van Enver Hoxha stapten veel Albanezen nog op de trein, noodgedwongen; privétransport was verboden. Maar toen in 1991 autobezit werd toegestaan, raakte de trein uit de gratie. Er werd zelfs serieus overwogen om de spoorwegen op te heffen.

‘De trein? Je gaat toch zeker niet met de trein?’ Hoongelach van de Albanees. Die gebruikt de rails liever als wandelpad. ‘Net zo snel’. Ook al is de trein spotgoedkoop. Drie uur reizen kost 120 lek, ongeveer één euro, zes uur reizen ruim twee euro. Sneller en efficiënter zijn de minibusjes, die overal in het land rijden. Maar ook veel gevaarlijker; het verkeer in Albanië behoort tot het gevaarlijkste van Europa. De trein is niet alleen veilig, ook opvallend stipt: de Albanese Spoorwegen, de HSH (Hekurudha Shqiptare), houden niet van vertragingen. Alleen koppige koeien, geiten of kalkoenen op de rails, of een oververhitte locomotief, kunnen roet in het eten gooien.

Voor de toerist is de trein daarom een ideale manier om het land te verkennen. Veel bezienswaardigheden zijn goed per trein te bereiken, net als veel bergen, stranden en het Meer van Ohrid. Het spoornet kent drie takken en doet de vijf grootste steden aan: vanuit metropool Tirana noordwaarts tot Shkodra, oostwaarts via Durrës en Elbasan tot Pogradec en richting het zuiden tot Vlora. Verbindingen met buurlanden zijn er niet: het spoor is volledig geïsoleerd.

Durrës Centraal Station. Het epicentrum van de HSH. In de rustieke stationshal roept de perronopzichter de reizigers op voor de trein naar het zuidelijke Vlora, het begin van de Albanese Rivièra en de Ionische kust. Ruim voor vertrek nemen de reizigers, studenten, jonge gezinnen, dagarbeiders en bejaarden, plaats in één van de vier wagons. Liefst bij elkaar in de coupé: treinreizen is een ontspannende en sociale gebeurtenis. Vanzelfsprekend knoop je een praatje aan en deel je je zonnebloempitten, sigaretten en granaatappels. Ook aan boord: een schoonmaker, politieagent en conducteur. De conducteur beheert de sleutel van het toilet en probeert er samen met de agent voor te zorgen dat de treinportieren dicht blijven tijdens het rijden, dat er niet voor de stations uit de trein gesprongen wordt en dat er alleen in het gangpad gerookt wordt. Ook staan ze – met alle liefde – garant voor de (zeldzame) vreemdeling, die in de trein een attractie op zich vormt.

Een tussenstop in Durrës, met morsige stranden en een populaire boulevard, is alleen al de moeite waard wegens het indrukwekkende Romeinse amfitheater, het grootste van de Balkan. De reis van de ferrystad naar Vlora neemt bijna vier uur in beslag en voert via de Adriatische kust langs het nabijgelegen toeristendorp Golem. Zijn uitgestrekte zandstrand, enkele minuten van het station, ligt in de zomer volgepakt met Kosovo-Albanezen, maar is de rest van het jaar uitgestorven. Verderop aan het spoor ligt Fier, tussenstop voor uitstapjes naar de overblijfselen van de antieke Romeins-Byzantijnse stadjes Apollonia en Byllis. Wie de bekende ‘Unesco-steden’ Berat en Gjirokastra wil bezoeken, kan in Fier overstappen op (mini)bus of taxi.

Voorbij de stenengooiers, de krotwoningen en de bunkerveldjes in Tirana’s buitenwijken, en voorbij overstaphalte Vora begint de landelijke noordelijke route. Hier hobbelt de trein enerzijds langs uitgestrekte vlaktes met af en toe een rivier, een dorpje, een bepakte ezel, een herder of een spoorbeambte die handmatig een wissel of slagboom bedient. De andere kant biedt fraaie bergflanken, met kort na Vora zicht op de beroemde bergvesting Kruja. Via Lezha, rustplaats van nationale held Skanderbeg (1405-1468) en vlakbij de stranden en vogelreservaten rond Shëngjin, voert de route naar Shkodra, een verrassend schoon en charmant stadje aan het Meer van Shkodra, het grootste Balkanmeer, dat deels in Montenegro ligt. Trots van Shkodra is de indrukwekkende Rozafa-burcht, die 120 meter boven de stad uittorent en prachtige vergezichten biedt. Meest bijzondere attractie is de Nationale Fototheek Marubi, beheerder van een gigantische collectie Noord-Albanese foto’s van de Italiaanse balling/fotograaf Pjetër Marubi (1834-1905). Een fraai deel ervan is geëxposeerd. Shkodra is uitvalsbasis voor de onherbergzame Albanese Alpen en het nog steeds moeilijk bereikbare bergdorp Theth, één van de mooiste plekken van het land.

Bergen, wijngaarden en kuddes zwarte kalkoenen bepalen het beeld op de avontuurlijke oostelijke route. Halverwege ligt Elbasan. Met piepende remmen en oorverdovende tyfoon komt de trein net voor het station tot stilstand. Een groep loslopende kalkoenen blokkeert het spoor en wil er niet meer vanaf. De machinist klimt uit zijn cabine en maakt de weg eigenhandig vrij. Elbasan biedt bij aankomst een apocalyptische aanblik van zwartgeblakerde industrie en oranje smog. Maar binnen de Ottomaanse stadsmuren ligt een verrassend sfeervolle, autoarme ‘kasbah’ waar eeuwenoude (bad)huizen, moskeeën en kerken overleefden, simpelweg omdat er geen bulldozers door de smalle steegjes konden. Buiten de stad, in Llixha, is een kuuroord met warme bronnen.

Elbasan is bijna vier uur treinen van Tirana, maar over de weg slechts zestig kilometer. Een snelle, alternatieve route terug is met een minibusje over de beruchte, maar magnifieke slingerweg door de bergen. Een rechtstreekse treinverbinding met Tirana is al jaren gepland, maar vooralsnog is er niet één biel gelegd. Vanuit Elbasan hobbelt en kronkelt de trein met twintig kilometer per uur verder, tussen bergen door, over hoge bruggen en door tunnels, deels parallel aan de oude handelsroute tussen Rome en Constantinopel, de Via Egnatia. De laatste twintig kilometer gaan pal langs het Meer van Ohrid, tot het eindpunt Pogradec aan de Macedonische grens. De ruige route wordt nauwelijks gebruikt en met opheffing bedreigd. Maar tegelijkertijd wordt serieus nagedacht over vertakkingen naar Macedonië, Griekenland en Bulgarije. Om het land van de adelaar, dat wanhopig aansluiting zoekt bij Europa, nu eindelijk ook per spoor te ontsluiten.