Puberhoofd (2)

Omdat hun hersens nog niet voldoende zijn gerijpt, hebben pubers hun impulsen niet onder controle.

Pubers zien niet hun onrijpe hersenen als het probleem, maar hun ouders. In feite is dat echter hetzelfde: de ouders zijn de plaatsvervangende prefrontale cortex (PFC) van de puber. De ouders moeten in de periode waarin de PFC van de pubers nog te onrijp is, zorgen voor de planning, organisatie, de morele kaders en de grenzen van het kind. Dat zijn de functies die de eigen, langzaam rijpende PFC van de puber, geleidelijk gaat overnemen. Het probleem is dat de pubers van tegenwoordig hebben ontdekt dat hun ouders niet de macht hebben de rol van plaatsvervangende PFC af te dwingen.

De PFC staat centraal in de regulering van andere hersengebieden en is onder andere verantwoordelijk voor onze impulscontrole, de uitvoering van complex gedrag, planning en organisatie. De rijping van deze hersenstructuur gaat door tot in de twintig. Dit is volgens professor Jelle Jolles ook de reden dat zelfstandig werken in ‘Het Studiehuis’ voor pubers veelal niet mogelijk was. De organisatie van het werk en het maken van keuzes lukt met een onrijpe PFC nog niet goed. Ook met functionele scanning zijn er duidelijke verschillen te zien tussen het brein van een puber en van een volwassene. Volwassenen verdelen de opgedragen taken over een aantal verschillende hersengebieden. De PFC van pubers kan een taak soms wel op volwassen niveau volbrengen, maar moet daarvoor veel harder werken, terwijl andere hersengebieden door de onrijpe PFC nog niet worden ingeschakeld. Hierdoor raakt de PFC van tieners sneller aan het plafond van zijn mogelijkheden, en in het geval de puber wordt afgeleid gaat het sneller mis met de opgedragen taken. Ook de regulatie van dag/nachtritmes staat onder invloed van geslachtshormonen. Dat zou wel eens de reden kunnen zijn dat pubers ’s morgens zo moeilijk uit hun bed komen en ’s avonds hun bed niet in te krijgen zijn. Moeten we ze dwingen vroeg op te staan of de schooltijden aanpassen aan hun biologie?

Er wordt veel gedronken in de puberteit, 52 procent van de 15-jarige drinkende jongens en 46 procent van de meisjes drinkt op een weekenddag ten minste vijf glazen per keer, en regelmatig belanden kinderen van die leeftijd in coma op een intensive care unit. ‘Indrinken’ voor een feestje, dat wil zeggen jezelf volladen met alcohol al voor dat je naar een feestje gaat, is tegenwoordig heel gewoon. Een rector van een keurige middelbare school in het Gooi vertelde dat leerlingen soms al dronken op het schoolfeest aankwamen. De school heeft blaaspijpjes aangeschaft, zodat ze die leerlingen eruit konden pikken. Tot haar verbijstering werden sommige ouders boos op de schoolleiding als ze hun dronken kind vervolgens op moesten komen halen. Het brein krimpt door alcoholmisbruik, wat betekent dat er permanente schade optreedt. In Europa sterven jaarlijks 55.000 jongeren aan een alcoholvergiftiging of door een verkeersongeluk waarbij alcohol in het spel was.

Door de stijging van de geslachtshormonen tijdens de puberteit ontwaakt niet alleen de seksualiteit, maar ook het typisch manlijke, agressieve en risico zoekende gedrag. De kans op ontremd-, antisociaal-, agressief en crimineel gedrag neemt toe. De verhoogde kans op druggebruik op de leeftijd van 19 jaar is te voorspellen op basis van de hoogte van de testosteronspiegel, de mate van seksuele rijping, een afkeer van sociaal normatief gedrag en het optrekken met sociaal afwijkende vriendjes in de vroege adolescentie (12-14 jaar). Ook bij meisjes betekent een vroege lichamelijke rijping een verhoogde kans op een heel scala van psychologisch en psychiatrische problemen, inclusief depressie en middelenmisbruik.

Uit een enquête in Nederland bleek dat eenderde van de jongeren tussen de 10 en 17 jaar een delict pleegt. En dan gaat het om diefstal, inbraken, vernielingen en geweldpleging. Na het zeventiende jaar neemt het aantal delicten af. Het ligt voor de hand dat de dalende lijn in delicten gerelateerd is aan de gelijktijdige ontwikkeling van de PFC, die het impulsieve gedrag inperkt en het morele gedrag bevordert. Het is een geruststellend idee voor de ouders dat er een einde zal komen aan het pubergedrag. Omgekeerd moet het een ondraaglijk idee voor sommige leraren zijn dat er voor iedere late puber die zich gaat gedragen en die ze afleveren aan de maatschappij er een verse jonge puber de school binnenkomt. Voor hen houdt het nooit op.

Dick Swaab

De auteur is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Instituut voor Neurowetenschappen. Vragen en reacties kunt u sturen naar Zbrieven@nrc.nl. Zie ook nrc.nl/swaab