Op school krijg je tenminste een gratis maaltijd

India heeft leerplicht ingevoerd voor kinderen tot veertien jaar. De meeste kinderen gaan nu naar school, maar de kwaliteit is nog bedroevend laag.

Wim Brummelman

Jaivir, veertien, vijftien jaar, is vroeger een jaartje op school geweest, zegt hij. Wat hij heeft geleerd, weet hij niet meer. Drie jaar geleden stuurde zijn vader, een keuterboertje in de deelstaat Uttar Pradash, hem naar New Delhi. Hij giet chilisaus over een waterig mengsel van aardappelschijfjes, erwten en kruiden dat pruttelt in een platte ijzeren schaal op zijn kar. Jaivir verkoopt golgappa en tikki, het populairste straatvoedsel in India.

Lalu, vorig jaar vertrokken uit Bihar, in het oosten, en zijn twee neefjes in de laadbak van zijn fietsriksja, hebben nooit in een klas gezeten. Lalu is twintig, zegt hij met een ernstig gezicht. De omstanders barsten in gelach uit. Hij ziet er uit als hoogstens veertien. Hij zegt dat hij op sommige dagen wel 150 rupee (bijna 2,50 euro) verdient door afvalhopen door te pluizen en de bruikbare materialen te verkopen.

Als het aan de regering ligt, gaan kinderen als Jaivir en Lalu in de toekomst wel naar school. Zes jaar geleden werd gratis en verplicht onderwijs voor alle kinderen van zes tot veertien jaar als ‘grondrecht’ vastgelegd. Nu zijn bij het parlement wetsvoorstellen neergelegd om die belofte ook in de praktijk te brengen. Ook de onderste regionen van de samenleving moeten uitzicht krijgen op een beter bestaan.

Volgens de statistieken is al grote vooruitgang geboekt. Vijftien jaar geleden ging 90 procent van alle jongens tussen zes en tien jaar naar school. En 73 procent van de meisjes. Nu is dat percentage voor beide groepen gestegen tot meer dan 95 procent. Lokkertjes als gratis warme middagmaaltijden voor bijna honderd miljoen kinderen blijken te werken.

Maar aanwezigheid en kwaliteit van lesgeven zijn heel verschillende dingen. Uit steekproeven blijkt dat veel openbare scholen overbevolkt zijn geraakt, met onvoldoende klaslokalen en sanitaire voorzieningen. Ook blijkt het lees- en rekenniveau van veel kinderen bedroevend laag – al zijn er grote verschillen. Misschien komt dat doordat gemiddeld 20 procent van de leerkrachten absent is, en dat de wel aanwezige onderwijzers lang niet altijd aan lesgeven toekomen.

De cijfers variëren sterk per deelstaat, maar gemiddeld maakt slechts 70 procent van de leerlingen vanaf zijn of haar elfde jaar de overstap naar de tweede fase, klas zes tot en met acht. Ongeveer 40 procent gaat verder naar de klassen negen tot en met twaalf (vijftien tot achttien jaar). Slechts 10 procent volgt hoger onderwijs. Onlangs waarschuwde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) opnieuw dat het falende onderwijssysteem India’s economische ontwikkeling belemmert.

Er is daarom dringend behoefte aan wetgeving die het onderwijs verbetert. Maar met die constatering is de oplossing nog niet gevonden. Want: wie durft de macht van de onderwijsvakbonden te trotseren en slecht presterende onderwijzers te ontslaan? En, het meest omstreden: moeten particuliere, niet-openbare scholen worden verplicht bij te springen waar de overheid faalt? In het wetsvoorstel staat dat particuliere scholen ten minste 25 procent van hun capaciteit moeten reserveren voor kinderen uit arme gezinnen.

In het onderwijs wordt de tweedeling tussen arm en rijk zichtbaar, zegt Shailendra Sharma van de vooraanstaande hulporganisatie Pratham. „Het openbare basisonderwijs is er voor de armen. Mensen die het kunnen betalen, sturen hun kinderen naar een particuliere school.”

In haar rapport verwijst de OESO onder meer naar onderzoek uitgevoerd door Pratham. „Ook in achtergebleven deelstaten als Bihar wordt tegenwoordig veel meer aandacht geschonken aan onderwijs”, zegt Sharma. „Maar de benadering is er nog vooral één van: kijk eens hoeveel scholen we bouwen, hoeveel boeken we gratis uitdelen, hoeveel maaltijden. Verwacht u nu ook nog dat we goed onderricht gaan geven?”

Die verwachting koestert de opkomende middenklasse in India juist steeds meer. De Shaheed Rajpal Dav Public School in de wijk Dayanand Vihar in Delhi, met ongeveer 2.400 jongens, 1.600 meisjes en tweehonderd leerkrachten, krijgt elk voorjaar vier keer te veel aanmeldingen voor de 240 beschikbare plekken. Het is een particuliere school die valt onder een stichting die eind negentiende eeuw haar eerste school opende in Lahore en nu ongeveer zeshonderd scholen beheert in India. De school behoort tot de top in New Delhi. Ouders betalen er eenmalig 7.000 rupee (ongeveer 115 euro) administratiekosten en maandelijks 1.500 tot 1.800 rupee per kind, afhankelijk van de klas waarin het zit. Maar voor dat geld verwachten ze wel uitmuntend onderwijs voor hun kinderen.

„Onze leerkrachten moeten verantwoording afleggen”, zegt schooldirectrice Renu Laroiya. „De ouders van onze leerlingen zijn mondig en gemotiveerd. Ze hebben precies voor ogen wat ze van school verwachten. De ouders van de kinderen in het openbaar onderwijs komen doorgaans uit de achtergestelde milieus en hebben zelf nooit op school gezeten. Ze kunnen de onderwijzers niet ter verantwoording roepen.”

Hoe krijg je dan voor elkaar dat ook zij beter onderwijs krijgen? „Door meer basisscholen te bouwen”, zegt Laroiya. „Elk kind moet in zijn buurt naar een goede school kunnen gaan”.

De deelstaatregering van Delhi heeft al eerder vastgelegd dat particuliere scholen 15 procent van het aantal plaatsen moet reserveren voor kinderen uit achterstandsgroepen. Laraoiya zegt daar geen moeite mee te hebben. „Dat is onze maatschappelijke plicht”. Maar uitbreiding van het quotum tot 25 procent, zoals voorgesteld in het nieuwe wetsontwerp, gaat te ver. „15 procent kunnen we wel aan. Maar als we steeds meer kinderen met een achterstand moeten opnemen, tast dat de kwaliteit van ons onderwijs aan.”