'Na al die jaren bleek: ik was gewoon te snel'

‘Op mijn zeventiende ben ik gaan werken als schilder en na ruim dertig jaar ben ik nog steeds blij met mijn vak. Schilderen heeft veel te maken met het oplossen van problemen. Als ergens vocht in zit, wil er geen verf op. Dan moet je het onderliggende probleem oplossen door met de timmerman te gaan praten. Heb je schimmel in de badkamer, dan smeer je er niet zomaar wat overheen, nee, dan moet je de elektricien vragen om een beter afzuigsysteem te maken. De problemen die ik tegenkom, onthoud ik, zodat ik de volgende keer weet in welke richting de oplossing gezocht moet worden. Voor sommige collega’s is het of ze elke keer een nieuw cadeautje uitpakken, maar ik zie aan het papiertje al wat erin zit.

Mijn collega’s accepteren mij zoals ik ben, en ik hen ook. Ze zijn beperkt in hun liefhebberijen en hun kennis, maar de één is helemaal gek van karpervissen, de ander weet alles van audio-apparatuur. Daar praat ik dan met hen over, zo doe ik toch heel wat kennis op. Maar het leukst vind ik het contact met de klanten, daar kun je nog eens een echt gesprek mee voeren. Het is een beetje een sport van me om zo snel mogelijk hun vertrouwen te winnen. Ik ben tenslotte een vreemde bij hen over de vloer. Ik peil hun hobby’s en interesses, en praat daar dan wat over mee. Het is maar een paar keer gebeurd in al die jaren dat ik geen contact kreeg met de klant bij wie ik aan het schilderen was.

Op school had ik moeite met lezen en schrijven. Pas veel later ben ik erachter gekomen dat ik dyslectisch was. In mijn tijd was daar geen aandacht voor. Op een maandagochtend werd het woord ‘auto’ speciaal voor mij op het bord gezet, ik schreef het altijd met o-u. Een hele week stond dat op het bord geschreven, maar op vrijdag schreef ik nog steeds ‘outo’. Toen had de onderwijzer wel door dat er iets met mij aan de hand was, maar geholpen werd je niet. Het enige was dat ik geen beurten meer kreeg met voorlezen, daar was ik trouwens erg blij om. De kinderen die goed konden leren, kregen wel bijles, zodat ze nog hoger konden komen.

En zo heb ik mezelf altijd voor dom gehouden. In de zesde klas van de lagere school kreeg ik het advies om naar het ITO te gaan, het individueel technisch onderwijs, een lager schooltype bestond niet. Uiteindelijk mocht ik het toch proberen op de lts, en dat ging goed. Mijn ouders blij, want ze hadden zelf weinig scholing en waren bang dat ik hulp nodig had die ze niet konden geven. Mechanica vond ik het mooiste vak, en wiskunde. Ik had daarna graag naar de mts gewild, maar dat kon niet met een onvoldoende voor Nederlands. Een klasgenoot van me die wel naar de mts kon, is later via de hts naar de Technische Universiteit gegaan. Hij heeft nu geloof ik een leerstoel in Oxford. Ik vond hem toen al heel erg slim, snapte niet wat hij op de lts deed.

Niemand heeft ooit gezegd dat ik dom was, maar ik voelde me zo. Vanwege mijn moeite met lezen en schrijven, maar ook omdat ik vaak niet begrepen werd. Dan ging ik twijfelen aan mezelf, dacht dat het aan mij lag. Nu weet ik dat ik te snel was, dat ik stappen oversloeg als ik iets vertelde en dat mensen me daarom niet konden volgen. Of nooit iemand gezegd heeft dat ik ergens heel slim in ben? Ja, mijn ex-vriendin zei bij onze eerste ontmoeting, in de kroeg: ‘Je bent wel erg snel voor iemand uit Overijssel’.

Vijftien jaar geleden ging zij op aanraden van haar vader een IQ-test doen, om lid te kunnen worden van Mensa, een internationale vereniging van hoogintelligente mensen. Je doet eerst een thuistest, en op grond daarvan word je al dan niet uitgenodigd voor de officiële test in Utrecht. Vriendin en ik mochten allebei komen, voor mij was het een geintje, ik ging mee voor de gezelligheid. Dus toen na twee of drie weken dat briefje kwam met de post, waarin stond dat ik een IQ van 142 had, was dat wel even schrikken. Want ‘dom’ wordt dan ineens ‘slim’. Je denkt terug aan momenten in je leven en na al die jaren weet je: ik had tóch gelijk toen. Ik was niet dom, ik was gewoon te snel.

Ik ging mezelf testen, kijken of ik de relativiteitstheorie snapte. Je verbaast je over jezelf. Avondenlang zat ik ineens puzzels op te lossen, de moeilijkste, van die driedimensionale Rubiks cube-achtige puzzels, en dan lukt het ook nog. Terwijl ik dacht dat ik niets anders kon dan schilderen.

Ik wilde het wel uitschreeuwen, zo blij was ik. Maar je moet het voor je houden, want in Nederland mag je niet te koop lopen met je intelligentie. Als je praat over een hoog IQ, lijken veel mensen al gauw te denken dat je het hebt over een verworven iets, terwijl het helemaal geen verdienste is. Ik vertel het dus maar weinig. In Amerika en Engeland kun je het rustig op je cv zetten als je lid bent van Mensa, in mijn cv staat alleen dat ik verenigingswerk doe. Dan hoop ik maar dat ze een keer vragen bij wát voor vereniging.

Het lidmaatschap van Mensa heeft mijn leven veranderd. Het is alsof je thuiskomt. Je bent echt geen vrienden van elkaar, het enige wat je bindt, is dat IQ van boven de 130. En de omgangsvormen zijn soms ronduit lomp. Maar dat kleine stukje dat je gemeen hebt, verenigt wel enorm. Om met zo’n hele club mensen bij elkaar te zijn die allemaal snel denken, snel kunnen wisselen van onderwerp, op de meest rare momenten terugkomen op een eerder gespreksthema. In oktober is er altijd een weekend met lezingen en workshops, dat is zo intensief dat je de maandag erop echt vrij moet nemen, omdat je hersenen nog op volle kracht blijven doorwerken. En de humor! Soms vertel ik zo’n grap aan mijn collega’s, maar die moet ik vervolgens altijd uitleggen, en dan is de lol eraf natuurlijk. Ik ben trouwens zeker niet het enige Mensa-lid dat niet heeft gestudeerd. Tot voor kort was er ook nog een andere huisschilder, maar die is de IT in gegaan.

Binnen het schildersvak heb ik alles geleerd wat er te leren viel, tot en met een opleiding tot restauratieschilder. En ik heb mijn ondernemersdiploma gehaald. Maar ook buiten het werk heb ik mezelf genoeg kunnen ontwikkelen, vind ik. Ik ben dol op actualiteiten, dat zet mij aan tot dieper graven en zoeken. Probeer eens uit te vinden hoeveel megawatt één windmolen produceert, en hoeveel windmolens er in Nederland staan. Hoeveel energie produceren ze per dag of per jaar? Hoe hard moet het waaien voordat die dingen wat opleveren? Is er iets nodig om ze op gang te brengen, of doet de wind dat? Zit er een versnellingsbak bovenin? Want anders kan de dynamo het toch niet aan als dat ding heel hard draait? Van dat soort dingen.

Na zoveel jaar schilderen begin ik fysieke klachten te krijgen, en voor het eerst denk ik erover om te gaan studeren, hbo-bouwkunde. Dat zou een hele stap voor me zijn. Tot voor kort heb ik nooit overwogen om iets anders te gaan doen. Ik was te verknocht aan het schilderen, en ook wel aan het geld, denk ik. Daarbij: ook al weet ik nu dat het niets met mijn intelligentie te maken heeft, ik heb nog steeds moeite met lezen. Van het doosje scheerzeep in de badkamer heb ik jaren gedacht dat het uit Scherpenzeel kwam. Ik was een keer in Scherpenzeel en toen dacht ik: ‘Hé, dat ken ik, van de scheerzeep!’ Toen ging me nog steeds geen licht op, dat kwam later pas. Op een dag zag ik ineens wat er echt stond. Scheerzeep.’

Brigit Kooijman