Het gezag moet terug

Warna Oosterbaan en Hans Wansink vinden: de krant moet dunner, de journalisten zelfbewuster.

Toen de journalisten Warna Oosterbaan (60) en Hans Wansink (54) onlangs terugkeerden van een rondgang langs buitenlandse kranten, waren ze tamelijk positief gestemd over de situatie van de Nederlandse kwaliteitskranten. De dubbele winstcijfers (tussen de 10 en 20 procent) die bijvoorbeeld hun eigen kranten NRC Handelsblad en de Volkskrant jaarlijks (nog) boeken, steken schril af bij de enorme verliezen van kranten als Le Monde (15 miljoen euro verlies in 2007) en The Guardian en The Independent (elk 15 miljoen pond – 17,5 mln euro – verlies per jaar).

Nederlandse kwaliteitskranten zijn bovendien aanmerkelijk efficiënter ingericht dan veel buitenlandse. Waar de laatste (The Independent bijvoorbeeld) met ongeveer 300 tot 350 journalisten worden gemaakt, kunnen de Nederlandse, zoals hun beider kranten, met 250 mensen toe. „Bij Nederlandse kranten wordt over het algemeen hard en efficiënt gewerkt”, concluderen Oosterbaan en Wansink in een gesprek over hun boek De krant moet kiezen, de toekomst van kwaliteitsjournalistiek, dat deze week verscheen.

De conclusie van de twee auteurs typeert de boodschap van het boek. Journalisten mogen wel eens wat trotser zijn op hun werk en op hun product. Ze hebben een eerbaar beroep waarmee goed geld te verdienen valt door uitgevers, maar dat ook belangrijk is voor de democratie en de publieke zaak. Professionele journalistiek gaat immers over het kritisch volgen van de macht, het dagelijks bieden van een ‘world report’ – een samenhangend overzicht van wat er in de wereld gaande is – en het mogelijk maken van een geïnformeerd debat. „Wij weten wat de lezer moet weten”, zegt Oosterbaan over de journalistiek, hetgeen hij typeert als een vorm van „professioneel paternalisme”.

Voorspellingen dat deze journalistieke taken zouden worden overgenomen door burgerjournalisten op internet, zijn niet uitgekomen, constateren Oosterbaan en Wansink. Gezaghebbende bloggers kent Nederland niet of nauwelijks. Skoeps, de website die PCM Uitgevers enkele jaren geleden ontwikkelde om (foto-)journalistiek van burgers mogelijk te maken, werd een flop. Blijkbaar is journalistiek toch een echt vak dat, mits goed beoefend, aanspraak mag maken op een bijzondere plaats in de samenleving, zegt Oosterbaan. „De journalist mag zich best wat meer realiseren dat hij aanspraak kan maken op een zeker gezag, een bijzondere bevoegdheid. Het is bijvoorbeeld voor een gewone burger niet mogelijk en afspraak te maken met minister Bos. Wij kunnen dat wel. Wij vertegenwoordigen een gerespecteerd orgaan.”

Beide auteurs erkennen dat zo’n hooggestemde taakopvatting gemakkelijk eindigt in ronkende zelfgenoegzaamheid. Hans Wansink: „Dat is in het verleden vaak genoeg gebleken. Wat betreft zelfcontrole en transparantie is het in de journalistiek niet al te best gesteld. Geen enkele krant in Nederland heeft bijvoorbeeld een eigen, onafhankelijke ombudsman bij wie lezers met kun klachten of vragen terecht kunnen. The New York Times heeft die wel en heeft daar de afgelopen jaren goede ervaringen mee opgedaan. Kwaliteitskranten hier zouden dat moeten overnemen.” Bij de Volkskrant bekleedt nu een redacteur die ombudsmanfunctie.

Zijn er wel vijf verschillende kwaliteitskranten in Nederland nodig om de bovenstaande professionele taakomschrijving waar te maken? De onderlinge verschillen tussen de dagbladen zijn immers kleiner geworden, waardoor onduidelijk is geworden waarom de Volkskrant op een heel andere manier de macht controleert dan bijvoorbeeld NRC Handelsblad.

Wansink ziet ook dat de verschillen zijn vervaagd, maar zegt: „Wij pleiten juist voor het aanscherpen door de kranten van hun bladformules en het expliciet duidelijk maken, zowel in de krant als op de website, vanuit welke missie en normen kwaliteitsjournalistiek bedreven wordt. In het reiskatern of op de reissite kan bijvoorbeeld komen te staan dat de reizen die gemaakt zijn voor de bijlage door de krant zelf bekostigd zijn en niet door sponsors.”

In hun boek staan de auteurs uitgebreid stil bij de gevolgen van de ontideologisering en groeiende onzekerheid over de missie van de kwaliteitsjournalistiek. Sommige kranten – Wansink noemt het vernieuwde AD als voorbeeld – gingen daardoor meer varen op het kompas van de lezer. Een andere manifestatie van de onzekerheid was het verdwijnen van de klassieke nieuwsanalyse. Hierin ordent de professionele journalist de feiten over een bepaald onderwerp en geeft daar een eigen interpretatie aan. Mede onder invloed van een steeds ingewikkelder wordende wereld, maar soms ook door een gebrek aan bijscholing, raakte de journalist in het defensief. Hij of zij vertrouwde niet meer op eigen kennis, maar ging meningen over de situatie van anderen verzamelen.

Een derde uiting van onzekerheid is het soms wat gemakkelijk meegaan van kranten in de vernieuwingen op internet, zeggen beide auteurs. „Dat gebeurde veelal vanuit de defensieve redenering dat dat nu eenmaal moest, omdat anderen het ook deden”, aldus Oosterbaan. Verslaggevers werden steeds meer ingezet voor het updaten van de website, dit ten koste van andere taken zoals (dure) onderzoeksjournalistiek. Wansink: „Britse journalisten vertelden ons dat ze zo druk bezig waren met het updaten van de website, dat ze nauwelijks nog toekwamen aan het natrekken en controleren van feiten. De lopende band van het nieuws is mede door internet steeds sneller gaan lopen.” En, voegt Oosterbaan toe: „Dat wat er op de band ligt, wordt allemaal ook nog eens gratis aangeboden. Niemand weet precies hoe daarmee geld te verdienen valt.” Hij toont zich nog weinig onder de indruk van de meer dan 40.000 betalende webabonnees die de Volkskrant tegenwoordig heeft, of de – soms snel – groeiende inkomsten via webwinkels of boekensites. Deze dekken volgens hem nog lang niet alle kosten.

Internet verhoogde de druk op mediaorganisaties zonder dat er volgens de auteurs veel voor terugkwam in termen van journalistieke vernieuwing. „Het enige nieuwe genre dat internet aan de journalistiek heeft toegevoegd, is het weblog”, oordeelt Oosterbaan. „Het heeft de journalistiek transparanter gemaakt en door het losse karakter ervan bijgedragen aan de informalisering van de redactionele toon.”

Geen misverstand, zeggen beiden. „De krant hoort thuis op internet”, al was het maar om nieuwe groepen potentiële lezers met de missie van kwaliteitsjournalistiek in aanraking te brengen, en de transparantie van de journalistiek te bevorderen. Maar internet biedt dezelfde verleidingen en valkuilen als de krant zelf: een almaar uitdijend universum, met steeds meer taken („Pas op voor radio-en-televisietje spelen op internet”, waarschuwt Wansink). In De krant moet kiezen pleiten Oosterbaan en Wansink voor een compacte krant à la nrc.next , met een nauw omschreven taakopvatting op het web, aanzienlijk minder bijlagen en een kleinere organisatie van minimaal 150 vaste krachten.

Beide auteurs bestrijden dat hun eigen uitgever, PCM, en hoofdredacties in de huidige bezuinigingsronde (door sterk dalende advertentie-inkomsten) een andere kant op lijken te gaan dan zijzelf. Die lijken het meer te zoeken in het terugbrengen van het aantal pagina’s per bijvoegsel en krant dan in duidelijke reductie van taken en aantallen werknemers. Oosterbaan: „Die maatregelen passen juist precies in ons straatje. Ook wij zijn voor een dunnere krant. Naarmate er minder pagina’s komen, maar het aantal redacteuren gelijk blijft, kan per pagina gemiddeld de kwaliteit omhoog. En die kleinere organisatie heb je niet van vandaag op morgen.”

Nu al staat echter één ding als een paal boven water voor beide auteurs. Voor het ontwikkelen van een nieuwe, succesvolle krant zullen de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw hun uitgevershuis PCM moeten verlaten. Tijdens hun rondgang door het buitenland konden zij niemand goed uitleggen waarom drie concurrenten in één concern zitten.

Bovendien doet PCM het omgekeerde wat buitenlandse krantenconcerns logisch vinden. Oosterbaan: „In het buitenland worden goed renderende producten gebruikt om de kwaliteitskranten binnen het concern overeind te houden. De verliezen van The Guardian bijvoorbeeld worden betaald uit de hoge rendementen van het weekblad voor tweedehands auto’s, Auto Trader. PCM doet het omgekeerde en gebruikt de kwaliteitskranten om riskante initiatieven als Dag en Skoeps te bekostigen.”

Gek dat journalisten van datzelfde PCM nu betrekkelijk gemakkelijk de huidige bezuinigingen over zich heen laten komen, verzucht Wansink. Kranten kunnen hun lezers mobiliseren, vult Oosterbaan aan. „Dat kan vrij simpel door een lezersfonds op te richten waarin meer kapitaalkrachtige lezers, naast het geringe abonnementsgeld, een extra eigen bijdrage kunnen storten. Daarmee laten krant en lezers duidelijk zien dat er iets op het spel staat.”