De jongen uit 't Zandt

Met grote letters schreef zij z’n naam in de donkere aarde: ‘Gommert van der Zijl’. Herinnering aan een jongen die plots uit het dorp verdween.

Het heeft me altijd gespeten dat ik niet meer over hem te weten ben gekomen. De enkele keren dat ik zijn naam heb horen noemen – meestal als wij aan tafel zaten – glimlachte mijn moeder en staarde ze met een dromerige blik voor zich uit, over onze hoofden, alsof er iemand was binnengekomen die alleen voor haar zichtbaar was, alsof híj het was, Gommert van der Zijl.

Net als mijn moeder woonde hij in ’t Zandt, een klein dorp in het noordoosten van Groningen. Hij moet een knappe jongen zijn geweest, met donker haar en diepbruine ogen.

Geregeld hebben ze hem in het dorp met mijn moeder zien wandelen. „Kijk”, zeiden ze, „daar gaat Gommert van de Zijl weer met...” – en dan noemden ze de naam van mijn moeder. De jonge meisjes keken hen afgunstig na als ze zagen hoe die twee het pad insloegen dat door de velden leidde. Als het donker werd, bracht hij haar thuis, tot aan het hekje en dan glipte ze door de achterdeur naar binnen. Op haar tenen sloop ze de trap op naar haar kamer om van achter haar raam naar hem te zwaaien.

Maar op een dag was hij verdwenen. „Heb je ’t gehoord? Gommert van der Zijl is weg”, werd er rondgefluisterd. Tersluiks keken ze naar mijn moeder. Ze zei niets. „Hij is natuurlijk naar Amerika gegaan om fortuin te maken. Die is voorgoed uit ’t Zandt vertrokken.”

Pas vele jaren later werd hij weer gesignaleerd. Als een lopend vuurtje ging het door het dorp: „Gommert van der Zijl is terug. Die moet wel schatrijk zijn. Ze hebben hem al gezien voor het huis van...” – en dan noemden ze weer de naam van mijn moeder.

Maar toen was mijn moeder al getrouwd en woonde ze in het zuiden van het land.

Ik herinner me dat ik op een dag uit school thuiskwam en zag dat mijn moeder bezoek had van een vriendin met wie ze aan de huiskamertafel druk zat te praten. Ik wilde bij ze gaan zitten, maar mijn moeder wuifde naar de deur, alsof ik had vergeten in de gang mijn voeten te vegen. Aarzelend bleef ik staan. Mijn moeder boog zich naar haar vriendin en vervolgde op een zachte, bijna fluisterende toon het gesprek, waarbij ze met haar hand door haar dikke bos kroezend haar woelde. Voor ik de deur achter me dichtdeed, ving ik nog net die naam op.

Ik liep de tuin in. Het pad lag bezaaid met bruine bladeren, waar ik wat verveeld en bozig, met trage stappen, doorheen schuifelde. Ik raapte een tak op, boog me over een perk en schreef met grote letters ‘Gommert van der Zijl’ in de donkere aarde. Een paar keer ben ik er overheen gesprongen, tot ik er genoeg van had en over het tuinpad naar het schuurtje rende. Daar, met de deur achter me dicht, heb ik zo hard als ik kon, zijn naam staan roepen.

Het was donker in het schuurtje, er hing een muffe lucht van muizen en ratten die ergens verborgen moesten zitten. Van achter de oude wasketel kwam het ritselend en schurend geluid van allerlei dieren die onder de grond, door gleuven en kieren, naar een opening zochten. Ik rende het schuurtje weer uit en stoof met een vaart, alsof ik achterna werd gezeten, over het tuinpad weer naar binnen, tot aan de kamerdeur.

Met mijn hand al aan de knop ben ik blijven staan. Ik hoorde mijn moeder lachen. Ze was meestal nogal vrolijk, ze zong vaak met een forse stem, die galmde door het huis.

Heeft ze in die tijd nog aan die jongen uit ’t Zandt gedacht?

Ik heb het haar, toen het nog kon, nooit gevraagd.