Coffeeshop Canada

In het westen van Canada wordt steeds meer geld verdiend met de export van hasj naar de VS. Het levert meer op dan hout-kap of toerisme. „Als je geen aandacht trekt, word je hier met rust gelaten.”

Een mistige najaarsmorgen, ergens in de wijde omgeving van de West-Canadese stad Vancouver. Sam, een ervaren kweker, maakt een inspectieronde langs de planten in zijn uitgebreide plantage. In een frisse, zoetige lucht loopt hij van kamer tot kamer in de grote, moderne schuur bij zijn afgelegen boerderij: van een ruimte met babyplantjes onder felle lampen, tot een andere met metershoge, limoengroene planten vol met rijpe, kleffe bloemtoppen. Hij pakt een knop, of ‘bud’, tussen zijn duim en wijsvinger – een plakkerige, halfzachte massa met een kristalachtige gloed. „Ruikt goed”, zegt hij.

Groen goud heeft Sam tussen zijn vingers. Canadese marihuana van topkwaliteit, met een gehalte aan THC, het actieve, roesverwekkende ingrediënt van cannabis, van 20 procent of meer. We zouden het Canawiet kunnen noemen, met een knipoog naar Nederwiet. Maar in Noord-Amerika staat de zeer gewilde marihuana uit dit gebied, de liberale westkustprovincie British Columbia (B.C.), algemeen bekend als B.C. Bud.

Sam weet hoe je het kweekt. Zijn plantage is in hoge mate geautomatiseerd. In de gang tussen de kweekkamers staan gekoelde waterreservoirs waar voedingsstoffen worden toegevoegd. Elke plant staat onder een verstelbare lamp van 1000 watt. Bij elke deur hangt een thermostaat; de temperatuur wordt automatisch aangepast van 25 graden overdag tot 22 graden ’s nachts.

„We simuleren moeder natuur”, legt Sam uit. Alleen staan de hennepplanten niet in aarde, maar in emmers met droge kleikorrels, volgens de kweekmethode van hydroponics. „Het luistert wat nauwer, maar je wiet is beter, veel zoeter”, aldus Sam. Hij heeft een vergunning om ‘medische marihuana’ te kweken voor zichzelf en twee anderen. Hij gebruikt het als ingrediënt van onder meer boter en koekjes, vertelt hij.

Buiten de schuur biedt het terrein uitzicht op de weelderige, groene omgeving. De schuur wordt beveiligd met videocamera’s, waakhonden en bewegingssensoren. „Als iemand midden in de nacht komt, kan ik me verdedigen”, zegt hij. In een apart schuurtje wordt de marihuana bewerkt: een snijmachine scheidt de knoppen van de bladeren. Sam trekt een van de rekken naar buiten, vol met groene bloemtoppen. „Dit is het eindproduct.”

En wat voor eindproduct. ‘B.C. Bud’ is volgens ramingen het economisch belangrijkste product van British Columbia – waardevoller dan meer vertrouwde sectoren als houtkap, de winning van natuurlijke grondstoffen, en toerisme. De westkustprovincie is een topleverancier van marihuana in Noord-Amerika; miljarden dollars aan wiet wordt er jaarlijks verbouwd, bestemd voor de Amerikaanse en Canadese markt. De vraag naar wiet is bijna onverzadigbaar, zeker bij de zuiderburen, terwijl de pakkans aanmerkelijk kleiner is ten noorden van de grens. De opbrengsten zijn veel hoger dan die van meer traditionele Canadese exportproducten. Het sleutelwoord is dan ook groei, groei, groei.

„Er wordt ontzettend veel gekweekt in deze omgeving”, zegt Brad, een medewerker van Sam, achter het stuur van een auto op de terugweg richting Vancouver. „Er is een hoop ruimte, en als je geen aandacht trekt word je hier met rust gelaten. Veel van de grote boerderijen in deze omgeving worden gebruikt voor de teelt van marihuana. Agrariërs verkopen vaak hun bedrijven aan mensen die er hennepplantages van maken. De pluimveehouderijen en paddestoelen-kwekerijen die je ziet zijn ideaal om een ‘grow-op’ te beginnen.”

Een grow-op of growing operation is de Engelstalige term voor een overdekte hennepplantage: een ruimte met felle lampen die twaalf uur per etmaal daglicht simuleren. Bij een kweker met enige kennis van zaken levert elke lamp per oogst, om de twee maanden, ongeveer een pond marihuana op, met een gemiddelde waarde van zo’n 2.000 Canadese dollar (ruim 1.300 euro). Een operatie van 25 lampen heeft zo een opbrengst van 50.000 dollar per oogst. „Als je dat vijf maal per jaar doet, dan heb je 250.000 dollar”, rekent Brad voor. Belastingvrij, uiteraard.

„Vorige maand is er hier een opgerold”, zegt Brad, wijzend naar links. „Meestal kom je eraf met een waarschuwing, want anders raakt het gerechtelijk apparaat overbelast.” Volgens Brad zijn de middelen van de zogenoemde ‘green teams’, of anti-marihuana-eenheden, van de politie te beperkt. „Ze kunnen er maar zoveel per dag oprollen”, zegt hij. „Als ze eenmaal geweest zijn, komen ze niet binnen twee jaar terug. Wanneer er een operatie is geruimd, wachten de kwekers meestal een maand en dan beginnen ze opnieuw. De kans dat je wat overkomt is vrij klein, de kans dat je multimiljonair wordt is groot.”

Om die reden is cannabisteelt in British Columbia in de afgelopen 10 à 15 jaar uitgegroeid tot een miljardenbusiness, zegt Stephen Easton, econoom bij Simon Fraser University in Vancouver. Easton heeft onderzoek gedaan naar de omvang van de groeisector aan de Canadese westkust. Hij stelt dat er zeker 17.500 plantages actief zijn, verspreid over heel British Columbia, met een gezamenlijke opbrengst van minimaal 7 miljard Canadese dollar (4,6 miljard euro) per jaar – ongeveer 5 procent van het BNP van de provincie.

„De sector is verbijsterend groot als je de cijfers mag geloven”, zegt Easton. „En dan tellen we de vele privéoperaties van mensen met een paar planten in de kelder niet eens mee.” Een markant gegeven dat de raming van Easton onderbouwt is dat de sluiting van grote plantages door de politie geen merkbare invloed heeft op de marktprijs van B.C. Bud.

De bestrijding van marihuana aan de westkust vormt dan ook een enorme uitdaging voor de Canadese autoriteiten. De cannabisteelt in British Columbia, ooit begonnen als een activiteit van hippies en hobbyisten en in de jaren negentig doorgedrongen tot de middenklasse voor extra inkomsten, heeft de provincie een onverwoestbare reputatie opgeleverd als een wietcentrum van het continent. Evenals in Nederland worden nu in toenemende mate vraagtekens geplaatst bij die dubieuze eer.

De politie heeft de handen meer dan vol aan B.C. Bud, zegt Stafsergeant Dave Goddard van de Royal Canadian Mounted Police (RCMP, kortweg de Mounties), op het hoofdkwartier van de antidrugsdienst in een buitenwijk van Vancouver. Hij draait niet om de feiten heen: „Politiebureaus worden overspoeld door het illegale groeioperaties, het ligt in de orde van tienduizenden. Er wordt gekweekt in huizen, kelders, garages, schuren, op zolders. De enige beperking is het inbeeldingsvermogen van de kwekers over waar ze 100 tot 200 planten kunnen neerzetten.”

De groei van de hennepkweek is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het liberale klimaat van de Canadese provincie aan wat soms de ‘linkse kust’ wordt genoemd. Marihuana wordt door de samenleving al jarenlang beschouwd als acceptabel. Straffen voor kweek zijn mild, zeker vergeleken bij de VS. Op de groei van cannabis staat in Canada een maximumstraf van zeven jaar cel. Maar, zo zegt Goddard, een veteraan die al 19 jaar drugs bestrijdt, „ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand 7 jaar kreeg. Ik heb milde gevangenisstraffen gezien, boetes, en voorwaardelijke vrijlatingen.”

Dat wil niet zeggen dat er sprake is van een gedoogbeleid, benadrukt Goddard direct. Zeker niet bij de politie. Hij spreekt zelfs een streven uit om de kwekers en handelaren te „verslaan”. Dat past bij het nationale politieke klimaat in Canada, waar de Conservatieven sinds enkele jaren aan de macht zijn. Plannen van het vorige, Liberal-kabinet om het bezit van kleine hoeveelheden marihuana te decriminaliseren zijn van de baan.

De politie maakt gebruik van tips en aanwijzingen om grow-ops aan te pakken. Panden waar buitengewoon veel elektriciteit wordt verbruikt zijn verdacht en onderzoekers hebben de beschikking over warmtemeters met infrarood, want groeioperaties stoten warmte af. En dan is er de geur. Verschillende aanwijzingen bij elkaar kunnen leiden tot een inval – maar dat proces kost een hoop manuren, en, zo geeft Goddard toe, „onze middelen zijn beperkt”.

De drugsbestrijders concentreren zich daarom op de groeiende rol van georganiseerde misdaad. De cannabisteelt wordt in toenemende mate beheerst door professionele, gewapende bendes. Aziatische misdaadgroepen en biker gangs als de Hells Angels strijden om de macht. Grotere grow-ops, tot tienduizenden planten aan toe, worden opgezet in het uitgestrekte binnenland van B.C. Soms worden ze gewapend overgenomen. Het Canadese moordcijfer, traditioneel lager dan in de VS, is stijgende; afrekeningen zijn routine geworden in Vancouver.

Een voorbeeld van een megaoperatie is een opgerolde plantage van meer dan 33.000 planten in Likely, een dorpje van 250 inwoners, 550 kilometer ten noordoosten van Vancouver. De cannabisplanten waren verdeeld over acht percelen, sommigen met gebouwen die speciaal waren neergezet. Negen mensen werden aangehouden, allen met vermeende banden met een Vietnamese misdaadorganisatie. Zij staan inmiddels terecht. Volgens Goddard is Likely „een goed voorbeeld van wat er gaande is in de marihuanakweek”.

Misdaadorganisaties komen vooral af op de lucratieve export van B.C. Bud naar de VS. Naar schatting 85 procent van de wietteelt in Canada is bestemd voor de Amerikaanse markt. Op vele manieren wordt het gesmokkeld: in vrachtauto’s via douaneposten aan de grens tussen het Canadese British Columbia en de Amerikaanse staat Washington, met boten langs de kust, en over de onbewaakte delen van de grens in het binnenland. Afgelegen delen van de grens worden overgestoken met alles van sneeuwmobielen tot helikopters, die ladingen dumpen op afgesproken plekken in het beboste grensgebied. Enkele jaren geleden werd zelfs een tunnel ontdekt. Geld, wapens en cocaïne vloeien terug naar Canada.

Volgens de econoom Easton is de Canadese cannabiskweek te vergelijken met de grootschalige productie van alcohol in Canada tijdens de drooglegging van de VS in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Onder Amerikanen bestond grote behoefte aan illegale sterke drank – en Canada was maar al te graag bereid om daarin te voorzien. „De overeenkomsten met marihuana zijn groot”, aldus Easton. „In beide gevallen is er sprake van een groeiende betrokkenheid van georganiseerde misdaad, en de politie kan maar een klein deel bestrijden.”

Easton pleit daarom voor legalisering en regulering van marihuana. Volgens hem is juist het verbod verantwoordelijk voor de aantrekking van georganiseerde criminaliteit. „De drooglegging leidde tot een enorme groei van misdaad”, zegt hij. Uiteindelijk werd de productie en handel van alcohol gereguleerd en belast. Dat zou ook moeten worden overwogen voor marihuana, betoogt Easton, want de huidige wetgeving is onuitvoerbaar, en loopt uit de pas met de maatschappelijke acceptatie van wiet. Bovendien: „Opbrengsten die nu naar misdadigers gaan, zouden belastingopbrengsten worden.”

Legalisering van marihuana is echter politiek niet haalbaar, zeker niet in de Verenigde Staten, waar drugsbestrijders Canada beschouwen als een noordelijk front bij de ‘war on drugs’. De Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) constateert een groeiend gevaar van criminele groepen bij de verspreiding van marihuana. „Deze groepen krijgen steeds meer invloed op de productie en distributie van hoogwaardige marihuana in Canada, en breiden hun invloed uit in de Verenigde Staten.” Ook de Canadese drugsbestrijder Goddard ziet niets in legalisering of de-criminalisering. „Misdaad zal altijd bij drugs betrokken blijven”, zegt hij. „Om simpelweg te zeggen dat de uitdaging te groot is en dat we het maar moeten legaliseren, is niet de kant die we op moeten.”

Daags later gaat de telefoon. De politie in een van de voorsteden van Vancouver staat op het punt een grow-op plat te gooien. De locatie: een industrieterrein met commerciële panden en bergruimten. Het green team van de gemeentelijke politie wordt begeleid door agenten in uniform. Mochten er kwekers binnen zijn, dan weten zij direct dat het gaat om een politie-inval, en niet om een gewapende overname door een bende. Dat verkleint de kans op een vuurgevecht. De glazen voordeur wordt verbrijzeld. Erachter is een handel in badkamers. Het is een rommeltje van badkuipen en douchecabines. Welvarend ziet het er niet uit.

Op de bovenverdieping is het een ander verhaal. Tientallen rijen cannabisplanten staan er onder sterke lampen, dicht op elkaar in potten aarde, verdeeld over enkele kamers. In de hal staan grote vaten met water en voedingsstoffen, ‘Monster Bloom’ en ‘Bud Blaster’. Er is niemand aanwezig.

Politiemensen inspecteren de plantage en nemen foto’s. De teamleider schat de operatie op 600 planten. „Er zijn 52 lampen”, stelt hij vast. „Gisteren was ik bij een operatie van 88 lampen, vanmorgen bij een van 42, eerder deze week een van 60.” De politie kwam op het spoor door een tip, zegt hij. In een van de andere panden was ook een grow-op, en er bestonden vermoedens over de badkamerhandel. Brandweerlieden zijn het dak opgegaan om de luchtafvoer te ruiken. „Ze zitten hier vrij dicht op anderen, en de geur heeft ze waarschijnlijk verraden.”

Een vrachtwagen arriveert aan de achterkant van het pand, werkers staan klaar om te beginnen met afbreken. De planten zullen in beslag worden genomen en vernietigd. Lampen en andere apparatuur gaan naar een grote opslagruimte van de drugsbestrijding. Arrestaties worden niet verricht; het is een kwestie van opruimen en wegwezen. Een dunne wand die de bovenverdieping scheidt van de benedenruimte wordt ingetrapt. De lampen gaan uit. Morgen zijn er weer andere plantages om te ruimen.