Argeloze ouders

De uithuisplaatsing van baby Hendrikus maakt de kinderwens van verstan-delijk gehandicapten weer tot een heet hangijzer. „Waar trek je de grens? Bij een IQ van 70?”

Foto’s van zijn zoon (12) en dochtertje (7) sieren de muren van de flat. Op het buffet staan gipsen beeldjes en vaasjes met kunstzijden bloemen. Mario is trots op zijn kinderen. Hij wilde graag vader worden. Nu denkt hij: was ik er maar nooit aan begonnen. Niet dat hij zijn kinderen kwijt zou willen, wel heeft hij meer dan genoeg van alle ellende: zijn scheiding, de manier waarop zijn ex de kinderen in de strijd gooit om hem op de knieën te krijgen, de beschuldigingen over seksueel misbruik die overigens nooit zijn bewezen – hij is bang dat het nooit over gaat.

Mario (33 jaar) heeft een lichte verstandelijke beperking. Vanaf zijn zesde woonde hij in een internaat. Op zijn zeventiende vond hij het welletjes en liep weg. Hij leefde een periode op straat en sloeg op een dag alles kort en klein bij zijn vader die vroeger nooit zijn handen thuis wist te houden. Hij kan zich niet herinneren dat de man ooit liefde heeft getoond. Zijn moeder, die was anders. Maar zij kon niet voor hem zorgen. Ze had MS.

Nu heeft hij zelf kinderen, maar hoe vaak ziet hij ze nou helemaal? Zijn zoon zit in een pleeggezin. Dochter woont bij moeder. Eens in de twee weken logeren ze een weekend bij hem, alleen piept dochter nu dat ze niet meer naar papa wil. Hij weet wel waarom: ze heeft hier geen vriendinnetjes. Maar wat kan hij daar aan doen?

Sinds in 2006 een ondertoezichtstelling is uitgesproken is D. van den Berg als gezinsvoogd betrokken bij de zaak. Aanvankelijk maakt hij zich ernstige zorgen over de kinderen. Vader toont geen verantwoordelijkheid: bekijkt pornofilms in hun bijzijn, laat hen opblijven tot 12 uur ’s nachts, slaapt met hen in één bed en laat hen de hele zondag rondhangen op de zwarte markt waar hij een kraam heeft.

Van den Berg dreigt de onbegeleide bezoekregeling stop te zetten als de situatie niet verandert. Er wordt een weekendprogramma opgesteld waarbij hij de dagen van uur tot uur met zijn cliënt doorneemt. Wekelijks terugkerend onderwerp van gesprek in die eerste fase: hoe leert vader structuur aan te brengen in zijn eigen leven en hoe maakt hij een zinvolle daginvulling die de kinderen regelmaat en veiligheid biedt?

Van den Berg: „Dingen beklijven vaak niet bij onze cliënten. Zodra onze zorg wegvalt is er een risico dat mensen terugzakken in oude patronen. Soms kom ik binnen in situaties waar het niet slechter kan worden. Als je denkt dat een kind gevaar loopt, vraag je onmiddellijke uithuisplaatsing aan. Je probeert het een betere toekomst te geven. Toch zie ik met lede ogen dat een volgende generatie later vaak met dezelfde problemen kampt als de vorige.”

Minister Rouvoet sprak vorig jaar klare taal toen hij zei: bij twijfel kind uit huis. In de praktijk echter zijn afwegingen als ‘haal je een kind eruit en zo ja, wanneer?’ de lastigste die hij moet maken, is Van den Bergs ervaring. „Op korte termijn is er winst, maar als het kind drie weken later wegkwijnt van heimwee en verdriet is de oplossing erger dan de kwaal. Loyaliteit gaat overal dwars doorheen. Naarmate een kind meer wordt mishandeld of misbruikt, zal het meer proberen het de ouder naar de zin te maken.”

Ook ingrijpen in een eerder stadium is een netelige kwestie. Dat bleek onlangs opnieuw toen bekend werd dat de pasgeboren baby Hendrikus van een verstandelijk gehandicapt stel op last van de kinderrechter met spoed bij een pleeggezin is ondergebracht omdat er sterke twijfel bestaat of de ouders voor het kind kunnen zorgen. De ouders, gesteund door hun omgeving, denken daar anders over en hebben hun zaak bepleit bij de kinderrechter in Arnhem. Die besloot deze week dat de baby voorlopig in het pleeggezin moet blijven.

Al jaren is de vraag hoe om te gaan met de kinderwens van verstandelijk gehandicapten een heet hangijzer in het politieke en maatschappelijke debat. Op verzoek van het ministerie van VWS, dat bij monde van voormalig staatssecretaris Ross een ontmoedigingsbeleid bepleitte, werd vorig jaar onderzoek verricht naar de opvoedkundige kwaliteiten van 1.500 licht verstandelijk gehandicapten. De uitkomst was ‘verrassend’, aldus een van de onderzoekers, Dick Willems, hoogleraar medische ethiek aan het AMC/Universiteit van Amsterdam. Anders dan gedacht bleek niet de hoogte van het IQ een voorspellende factor voor succes of falen, zo constateerden ze, maar de bereidheid hulpverlening te aanvaarden.

Gekeken is naar mensen met een IQ van tussen de 55 en 70. De onderzoekers stelden vast dat de opvoeding bij eenderde van de ouders goed gaat, bij eenzesde twijfelachtig is en bij ongeveer 50 procent problematisch verloopt. Willems: „Natuurlijk is dat een groot aantal, maar het beeld dat het altijd misgaat bij deze groep bleek niet te kloppen. Verstandelijk gehandicapten zijn vaak geïsoleerd. Belangrijk is daarom voldoende sociaal netwerk: steun van familie, maar ook mensen uit de buurt die een oogje in het zeil houden.”

Tegelijk wijst hij erop verstandelijk gehandicapten te behoeden voor zelfoverschatting. „Ouders kunnen door een kind overbelast raken. We hebben gemerkt hoe gekweld ze waren als het niet goed ging. Een uithuisplaatsing is een trauma. Als je kunt inschatten dat het gaat mislopen, moet je zwangerschap ontmoedigen en benadrukken dat het in hun eigen belang is wanneer er geen kind komt. Maar het maatschappelijke idee dat we oppermachtig zijn en alles kunnen tegenhouden is niet juist.”

René Hoksbergen, emeritus hoogleraar adoptie, is er echter van overtuigd dat er wel degelijk fermer opgetreden kan en zou moeten worden. „Mijn basisprincipe is dat mensen die de noodzakelijke bekwaamheden missen om zelfstandig voor een kind te kunnen zorgen geen kind moeten krijgen. We vinden dat buitengewoon moeilijk om te zeggen. Maar omdat ons de moed ontbreekt beslissingen te nemen, produceren we bewust leed. Het gaat ten koste van de kinderen.’’

Hoksbergen heeft veel kindertehuizen bezocht en doet nu onderzoek naar kinderen met een foetaal alcoholsyndroom. „Je ziet bij hen dat de kwaliteit van leven ernstig is verlaagd. Waarom laten we dat gebeuren? We kiezen voor leed. Met maatregelen als sterilisatie, de prikpil of een verplichte abortus kun je veel ellende voorkomen. Je moet je erbij neerleggen dat je niet altijd kunt krijgen wat je wilt.”

Hans Reinders, hoogleraar ethiek aan de Vrije Universiteit, bestempelt Hoksbergens opvatting als „flinkheid waar we niets aan hebben”. Er valt zijns inziens namelijk niet veel te verbieden zolang de overheid vindt dat mensen met een verstandelijke beperking in staat moeten zijn een eigen leven te leiden.

„In het vorige kabinet was ontmoediging het toverwoord. Nu is het politieke klimaat genuanceerder. Het ontmoedigingsverhaal hangt in de lucht. Ik zie niet hoe je daar doeltreffend beleid op moet maken, want je komt al snel in conflict met het grondbeginsel dat alle mensen gelijke rechten hebben. Ik vind dat we eerst en vooral moeten inzetten op adequate hulpverlening. Daar ontbreekt het te vaak aan.”

Mag je mensen met een beperking het recht op kinderen onthouden? Het is een ethische discussie waar de ChristenUnie geen landelijke richtlijnen aan wil verbinden, zegt vicefractievoorzitter Joël Voordewind. „Van mensen met een IQ onder de 70 en de grijze zone onder de 80 kun je niet met grote zekerheid zeggen dat het fout gaat. En waar trek je de grens? Als er kindermishandeling in het spel is, moet je ingrijpen. Wat hard nodig is, is intensivering van de zorg. ”

Evenals Voordewind ziet Tweede Kamerlid Marjo van Dijken (PvdA) weinig heil in een discussie over ouderschap van mensen met een beperking: „Het verkleint het probleem. Ik maak me minstens zoveel zorgen over tienermoeders en ouders met een verslaving. Je kunt niet op basis van een IQ bepalen of iemand kinderen mag krijgen en opvoeden. Wel vind ik dat je bij bewezen falend ouderschap moet zoeken naar een instrument om recidive te voorkomen. Ik pleit ervoor dat bij een uithuisplaatsing de rechter als bijzondere bijkomende bepaling verplichte anticonceptie moet kunnen opleggen voor de eerste twee jaar. Overigens, als verstandelijk gehandicapten de enigen waren die voor de rechter verschenen hadden we nauwelijks een probleem.”

Toch rijst het aantal ondertoezichtstellingen voor de doelgroep van gezinsvoogd Van den Berg naar zijn zeggen tegenwoordig „de pan uit”. Zijn werkgever, de William Schrikker Groep, een landelijk opererende organisatie die zich op het gebied van jeugdbescherming, jeugdreclassering en pleegzorg inzet voor op dit moment ongeveer 10.000 kinderen met een verstandelijke beperking en kinderen van ouders met een verstandelijke beperking, heeft inmiddels 6.900 pupillen van nul tot achttien met een ondertoezichtstelling onder haar hoede. Vorig jaar waren dat er zo’n 6.100.

Marjan Boertjes is directeur van het Expertisecentrum van de William Schrikker Groep, een afdeling die opleidingen en workshops maakt voor zowel intern gebruik als externe opdrachtgevers. Ter verklaring van de gestegen vraag naar gespecialiseerde jeugdzorg wijst ze op een groeiend aantal klanten dat kinderen krijgt terwijl vroeger de prikpil voor hen vaak gebruikelijk was. Leefden mensen met een beperking in het verleden geïsoleerd op een eigen terrein, tegenwoordig wonen ze in gewone woonwijken waardoor bij hen veel eerder het beeld ontstaat: wat jij kan, kan ik ook, aldus Boertjes.

Toch kan hun zelfbeeld ook een knauw krijgen als ze het gevoel hebben dat ze anders zijn en er niet helemaal bij te horen, denkt gezinsvoogd E. Nijssen. Neem de 17-jarige jongen die al vanaf zijn derde in een tehuis woont, omdat zijn verstandelijk beperkte ouders de opvoeding niet aankunnen. Laatst moest ze hem kalmeren, omdat hij al twee weken aan het schelden en tieren was tegen de groepsleiding. „Hij wil als hij achttien wordt eigenlijk bij zijn vader gaan wonen en anders in een gezin, maar hij weet dat dat niet kan. Hij huilde als een klein kind en zei: ‘Ik kan nergens naar toe. Niemand houdt van mij’. Dat sneed me door de ziel. Ieder kind gun je een gezin waar het gewenst is.”

Hechting is van wezenlijk belang, erkennen betrokkenen, en pleegouders kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Tegelijkertijd signaleert Boertjes „een duivels dilemma”: een kind dat zich hecht aan pleegouders blijft ook loyaal ten opzichte van de biologische ouders. Het kan blijvend in conflict komen met wat hun wordt aangedaan.

Bij oudere kinderen in de puberteit is hechting juist problematisch, merkt Nijssen op. Zij kunnen pleegouders als „heel verstikkend” ervaren en gaan „trappen”. Een alternatief kan een gezinshuis zijn waar groepsleiders, in dienst van een overkoepelende instelling, eigen en andermans kinderen opvoeden.

En dan de biologische ouders. Geconfronteerd met een uithuisplaatsing lopen bij hen de emoties niet zelden hoog op. Hulpverleners worden gezien als bemoeials en krijgen te maken met bedreigingen. Capabel personeel vinden voor de uitdijende organisatie die op het ogenblik iedere maand 25 nieuwe werknemers – gezinsvoogden, secretariaat, ondersteunende diensten – nodig heeft, is dan ook geen sinecure, zegt Ad Veen, hoofd communicatie van William Schrikker.

Nadat gezinsvoogd Van den Berg vorig jaar ernstig was bedreigd met een vleesmes door een vrouw wier vierde kind uit huis geplaatst zou worden, is hij een maand thuis gebleven. Toch noemt hij het contact met de klanten nog altijd het plezierigste onderdeel van zijn werk.

Wel zijn gezinsvoogden, zegt hij, zich er meer dan voorheen van bewust dat zij zich moeten laten leiden door het perspectief van het kind en niet dat van de ouder. Dat veranderde inzicht is een direct gevolg van de moord op kleuter Savanna in 2004 en de angst ergens aansprakelijk voor te worden gesteld.

Het heeft in de jeugdbescherming geleid tot de invoering van het Deltaplan dat de werkdruk verlaagt van 22 naar 16 kinderen per gezinsvoogd. Er is daardoor tijd voor intensievere begeleiding en het stelt de gezinsvoogd in de gelegenheid meer mensen te spreken over één zaak.

Desondanks constateert hij dat in de praktijk nog niet altijd volgens deze denkwijze wordt geredeneerd, met alle risico’s vandien. Zo was hij betrokken bij een gezin met zes kinderen die allemaal onmiddellijk na de geboorte werden weggehaald. Toen moeder zwanger was van de vierde is en crisisberaad werd gehouden met hulpverleningsinstanties, stelde een nauw betrokken partij voor de baby niet weg te halen bij de ouders. De gedachte was dat als ze een kleine hadden om voor te zorgen, ze misschien zouden stoppen met kinderen krijgen. Hoewel uiteindelijk in gemeenschappelijk overleg is besloten ook dit kind uit huis te plaatsen noemt Van den Berg het zorgelijk dat werd overwogen een kind op te offeren om de ouders gerust te stellen. En het is, zegt hij, geen incident dat instanties zoiets voorstellen.

De mogelijkheid dergelijke situaties te voorkomen, is beperkt zolang men vasthoudt aan de huidige denktrend in Nederland, meent hij. „Gezinsvoogden staan aan het eind van de rioolpijp. Wat wij doen is baggeren. Maar aan het begin, waar nog maar een klein lekje is, gebeurt nagenoeg niets.”

Het is een visie die andere betrokkenen delen. Hoogleraar Hans Reinders beaamt dat problemen eerder aangepakt moeten worden. Hij wijst op het landelijke Werkgezelschap ouderschap en kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking dat nieuwe ondersteuningsprogramma’s initieert om mensen al in een vroeg stadium te begeleiden.

Marja Hodes, die zich als klinisch psychologe en onderzoekster bezighoudt met verstandelijk gehandicapten en gezinsbegeleiding, is evenals Reinders lid van het Werkgezelschap. Zij constateert ‘handelingsverlegenheid’ bij hulpverleners: men loopt vaak hard weg voor de kinderwens en het effect is dat mensen met een verstandelijke beperking niet de ondersteuning krijgen die nodig is. Daarom, zegt ze, is een coachingscursus begonnen die hulpverleners leert hoe ze mensen kunnen helpen de juiste beslissing te nemen.

Preventieve zorg zou ook geboden kunnen worden door een een gezinscoach die veel intensiever begeleidt, denkt Van den Berg. Daarnaast zou het goed zijn als er behalve gedwongen en vrijwillige hulp nog een tussenvorm als semi- vrijwillige hulpverlening bestond. Kijk naar Mario: er zit een stijgende lijn in de wijze waarop deze vader zijn leven en de weekends met zijn kinderen vormgeeft. De bezoekfrequentie van Van den Berg is verminderd – toch blijft regelmatig contact noodzakelijk.

Mario zelf ziet ook verbeteringen. Op zondag gaat hij niet meer naar de zwarte markt, maar doet hij spelletjes met de kinderen. Er is werk voor hem gevonden op een kinderboerderij. En hij is blij met zijn privacy sinds hij niet meer bij zijn voormalige schoonouders in huis woont. Hij heeft nu een eigen appartement. Daar woont hij begeleid zelfstandig met hulp van stichting Syndion. De instelling ondersteunt mensen zoals hij met praktische zaken en hij heeft een persoonlijk begeleider die af en toe, ook onaangekondigd, langskomt. Bij hem in het flatgebouw worden nog vijf anderen op die manier bijgestaan door de stichting.

Toch wil hij er weg. Vanwege de buren. En de overburen. Die komen over en weer bij elkaar op visite en denken dat zij van Syndion mongolen zijn. Ze treiteren, maken opmerkingen, doen overal moeilijk over.

Hij heeft tegenwoordig wel geleerd na te denken voordat hij er iets uitflapt. Maar hij pikt niet alles. Een eigen huisje ergens anders is daarom beter. Er is al iets gevonden, in een buurt waar meer kinderen zijn. En hij krijgt een tuin.

Op dit moment is zijn grootste wens de strijdbijl met zijn ex te begraven omwille van de kinderen. Dat ze gewoon als ouders onder elkaar kunnen praten. Hij is wel van plan begeleiding mee te nemen naar het gesprek dat wordt gearrangeerd, want anders komen er weer toestanden, dat zul je zien.