Zelf ben ik niet zo om te lachen

Jeffrey Spalburg is stand-up comedian en cabaretier.

Morgen gaat zijn voorstelling Brommers Kiek’n in première over de jeugd van een Surinamer in Twente.

Negers lopen met goud en boeren rijden op een tractor. En als je dat combineert krijg je mij. Zo omschrijft cabaretier Jeffrey Spalburg zichzelf. Achtendertig is hij nu. Als zoon van een Surinaamse vader en Nederlandse moeder groeide hij op in Hengelo. Hij viel er op – de enige Surinamer in de stad. Zijn wijde hiphop-broeken wekten verbazing. En als hij danste, en dat deed hij houterig, werd er plaats gemaakt voor hem.

Na jarenlang teksten schrijven voor anderen, beatboxen voor Brainpower, toneel en musical, gaat morgen Spalburgs eerste cabaretvoorstelling in première, Brommers Kiek’n. „De ‘e’ slikken we in Hengelo in.”

De voorstelling gaat over vooroordelen. In Twente was hij vooral ‘bijzonder’: met zijn rapteksten wist hij zelfs het schoolhoofd voor zich te winnen, toen hij voor de zoveelste keer de klas was uitgestuurd.

In de Randstad is dat anders. Daar verwarren ze hem met Hakim van Sesamstraat. Daar windt hij zich op over ongelijke behandeling. Hij besloot het podium op te zoeken als uitlaatklep.

Er moet weer naar je geluisterd worden.

„Ik heb vijftien jaar theater gemaakt. Jeugdtheater, grote zalen, kleine zalen, musical. Maar ik heb altijd een eigen programma gewild. Het is cabaret. Het gaat dus over mij. Een Surinaamse jongen die opgroeit tussen de boeren, dat valt op. Altijd in het middelpunt van de belangstelling. Ik was bijzonder.”

Dat vond je wel prettig?

„Ja, dat was leuk. Iedereen kende mij. Ik was cool. Ik rapte, was een hiphopper. Het was leuk om anders te zijn.”

Op je negentiende verhuisde je van Hengelo naar Utrecht voor een theateropleiding. Was je daar ook bijzonder?

„Op de theaterschool nog wel. Daar was ik nog steeds de outsider. Samen met Najib Amhali, die ik daar ontmoette. Wij hadden een klik. Wij waren geen geitenwollensokkentypes, renden niet de school rond op blote voeten. Wij wilden entertainen. Met humor ons eigen verhaal vertellen.”

En toch ben je eerst toneel gaan spelen.

„Cabaret lukte me niet. Ik ben toen gaan acteren, maar had wel vaak rollen die dichtbij mezelf lagen. Rollen met humor. En liever niet te theatraal en grotesk meer, niet weer de sterfscène van Richard III. In 2005 werd ik aangenomen bij de stand-up comedians van het Comedy Cafe. Ik heb meteen alles opzij gezet. Dit was wat ik wilde. En dan is het een kwestie van net zo lang optreden tot je supergoed bent.”

Nu ben je supergoed?

„Ik heb nu altijd goeie dagen, ja. Op een gegeven moment heb je het in de vingers. Dan blijf je overal en in alle situaties overeind. Ik heb snel leren schakelen. (Wijst naar denkbeeldig publiek:) Daar zit een groepje mensen niet op te letten, daarop moet ik me focussen. En, o ja, daarachter zit iemand met een raar kapsel. Even benoemen. Zo gaat dat, heel snel. Je leert zuiver te zijn. En dan bedoel ik dingen vertellen die bij je passen. Geen stoere verhalen, daar prikt het publiek doorheen. Ik sta daar als Jeffrey. Het is cabaret, het gaat over mij. Het is echt en het is belangrijk.”

Op je website staan enthousiaste reacties van mensen uit Twente. Zij herkennen veel, ervaren je voorstelling als nostalgie. Is de show eigenlijk wel geschikt voor de Randstad?

„Natuurlijk. Ik zet vroeger tegenover nu, daar herkent iedereen iets in. Ook in Suriname. Daar kwam mijn voorstelling net zo hard aan. Het enige verschil is dat ik in Twente niet hoef uit te leggen dat Oldenzaal dé carnavalsstad is. En een Tukker weet meteen wat brommers kiek’n is.”

Wat is dat?

„Dat vraag je aan een meisje in de discotheek. ‘Ga je mee naar buiten bromfietsen kijken?’ En als je dan buiten bent met dat meisje doe je alles behalve bromfietsen bekijken. Dat is het. Alleen ik snapte dat natuurlijk niet. Daar gaat mijn voorstelling over. En dat is dus vooral om te lachen.”

Lach jij zelf ook veel?

„Nee, niet veel. Wacht, zo chagrijnig ben ik niet... natuurlijk lach ik zelf ook veel. Maar mensen denken altijd dat comedians de hele dag om te lachen zijn. Dat is niet zo. We zijn juist observanten, mensen die langs de zijlijn meekijken om nieuwe inspiratie op te doen.”

Waar komen jouw grappen vandaan?

„Die komen voort uit frustratie. Want dat is comedy namelijk: relativering.”

Waar ben je dan gefrustreerd over?

„Ik maak me kwaad over dingen. Soms verdrietig. Veel meer dan vroeger. Waarom betaal ik zo veel geld en sta ik iedere dag in de file? En waarom nu alweer die discussie ‘allochtonen horen hier niet’? Ik wil mensen wakker schudden. Mijn voorstelling gaat heel erg over vooroordelen.”

Helpt het om die nu vanaf het podium te bestrijden?

„Voor mijzelf in ieder geval wel. Het is een heel belangrijke uitlaatklep. Stoom afblazen.”

Als je een tijdje niet op het podium staat, wat gebeurt er dan?

„Dan word ik vooral onrustig. Krijg ik twijfels. Kan ik het nog wel? Wat ben ik aan het doen? Het hoort bij mijn leven. Ik heb dat podium nodig. Als ik niet op het toneel sta, ben ik de ware Jeffrey niet. Ik doe ook veel dingen achter de schermen zoals teksten schrijven voor bijvoorbeeld Jörgen Raymann. Maar dat voldoet niet. Niet alleen.”

Als Jörgen Raymann jouw grappen maakt, steekt dat dan?

„Nee, dan denk ik juist: ‘yes, die werkt’. Maar ik wilde het uiteindelijk ook zelf gaan doen. Ik had al veel podiumervaring. Dus dan is de conclusie snel getrokken: ik moet het gewoon zelf gaan doen.”

Heb je niet de neiging om een goede grap voor jezelf te bewaren?

„Nee, dan bedenk ik gewoon een nieuwe betere grap. Op de fiets, tijdens het afwassen. Ik ben er altijd mee bezig, maar dat geldt voor de meeste schrijvers en cabaretiers.”

Het onderwerp van je programma is nu je afkomst. Had je ergens anders willen opgroeien?

„Natuurlijk. Ik haatte Hengelo. Omdat het niet cool was, daar tussen de boeren. Maar het lot heeft me er gebracht. En achteraf kijk ik er met een goed gevoel op terug. Wat een ruimte en rust hadden we daar.”

En als je in Suriname was opgegroeid was er nu geen Brommers Kiek’n.

„Sterker nog, dan was ik waarschijnlijk helemaal geen cabaretier. Je kunt daar niet leven als artiest. Maar anders was ik misschien nu wel terug gegaan. Het is het beste land om je kinderen groot te brengen. Ruimte, groen, respect.”

Een soort Twente.

„Ja, eigenlijk wel. Warm Twente.”

Morgen gaat Brommers Kiek’n in première in Amsterdam. Voor een uitgebreide speellijst zie www.spalburg.nl