Zeg gerust wat je vindt, de rechter beslist of het mag

Je mag zeggen wat je vindt, maar je hebt niet het recht iemand te beledigen.

Voelt iemand zich beledigd, dan moet de rechter beslissen of het onnodig grievend was.

Rob Wijnberg betoogt (nrc.next, 12 november) dat het strafrechtelijk verbod op belediging juridisch onhoudbaar is. Belediging mag volgens hem geen juridische status hebben omdat meningsverschillen inherent zijn aan het publieke debat. Beledigd-zijn vormt daar een onvermijdelijk onderdeel van.

De juridische onhoudbaarheid van het verbod op belediging ontleent Wijnberg aan het argument dat het onmogelijk is een criterium te benoemen aan de hand waarvan we op voorhand kunnen vaststellen of een uitspraak beledigend is of niet.

Het publieke debat is echter, hoe graag we het ook anders zouden willen, geen machtsvrije open uitwisseling van ideeën. Soms wordt het publieke debat in de greep gehouden door individuen of groepen die het gebruiken om hun onverdraagzame opvattingen op te dringen. Soms stokt het publieke debat en wordt een uitspraak een aanval.

Zo veroordeelde het hof van ’s Hertogenbosch een bewoonster die op Radio 1 had gezegd dat als een gezin van Somalische vluchtelingen in haar buurt zou komen wonen, zij de spandoeken klaar zou hebben met daarop de tekst dat ‘Hitler er een paar vergeten is’. Die uitspraak werd onnodig grievend gevonden en de vrouw kreeg zes weken voorwaardelijke gevangenisstraf. (Later casseerde de Hoge Raad de uitspraak omdat de vrouw had gevraagd de uitlating niet uit te zenden.)

In een andere zaak, uit 2003, werd iemand die homoseksualiteit in een ingezonden brief in de Twentsche Courant Tubantia een ‘vieze, vuile zonde’ had genoemd, juist vrijgesproken. Die uitlating werd beledigend gevonden, maar niet onnodig grievend omdat ze voortkwam uit de geloofsopvatting van de verdachte.

Ik vind beide uitspraken begrijpelijk; ook homoseksuelen in Twente kunnen zich verdedigen tegen een bepaalde lezing van de Bijbel en de vrijheid van meningsuiting moet dan voorop staan.

Maar hoe kon het Somalische gezin zich verdedigen tegen de uitlatingen van de vrouw uit Den Bosch? Ik kan mij goed voorstellen dat het zich er zelfs door bedreigd voelde. Wat is hier eigenlijk nog het publieke debat?

We hebben in deze samenleving een recht om onze mening te uiten, we hebben het recht om niet gediscrimineerd te worden, maar we hebben niet het recht om mensen te beledigen. Beledigen is een bijverschijnsel van het uiten van een mening. Juist omdát we op voorhand niet kunnen voorspellen wanneer een belediging zo erg is dat de uitlater ervan moet worden gestraft, hebben we een onafhankelijke partij nodig om dat vast te stellen. Niet op basis van een rotsvast criterium (dan konden we het ook een computer laten doen) maar op basis van concrete afwegingen, waarin rechten en vrijheden worden gewogen in hun maatschappelijke context. Rechters hebben zich tot dusver steeds terughoudend getoond in het toepassen van het artikel en in de regel lage straffen uitgedeeld. Sterker nog, ze hebben zich ook hoeders van de vrijheid van meningsuiting getoond in een periode dat dat minder vanzelfsprekend was. Als individuen hun mening kracht bijzetten door anderen te beledigen, zijn de rechters er om vast te stellen welke uitlating onnodig grievend is en welke slechts beledigend. Dat kun je ze best toevertrouwen.

Menno van der Veen is jurist, publicist en filosoof.

Lees het artikel van Rob Wijnberg na op nrcnext.nl/links.