Succes voor een zwerver

Door één liedje in het BBC-programma van Jools Holland brak Seasick Steve door bij het grote publiek. In zijn bluesliedjes beschrijft hij zijn vroegere, zwervende leven. „Nu gaat het wat beter.”

Steve Wold alias Seasick Steve is zevenenzestig. Het grootste deel van die zevenenzestig jaar heeft hij als landloper door Amerika getrokken, op de manier die we kennen uit de cowboystrip Lucky Luke: onbetaald meereizen op de trein, slapen in verlaten schuren, muziek maken voor een paar grijpstuivers in bars en op straat.

Drie cd’s maakte hij inmiddels. Zijn meest recente heet I Started Out With Nothin And I Still Got Most Of It Left (2008), en die opmerking slaat ook op zijn muziek. Wolds muziek is niet meer dan een skelet: verhaal + ritme + melodie. De verhaaltjes worden grommend gezingzegd, het ritme is ‘boem-klap’, en de repetitieve gitaar-loopjes van drie akkoorden dringen dieper bij iedere herhaling, als dorens in de huid. Dit is de blues.

Volgens Seasick Steve zelf niet, trouwens. Hij noemt zijn muziek ‘song & dance’. „Omdat mensen over blues altijd een strikte opvatting hebben, die niet aansluit bij hoe ik erover denk”, zegt hij per telefoon vanuit Dublin. „Daarom gebruik ik liever de minder beladen term van ‘song & dance’. Zo zie ik het zelf ook: ik maak een liedje en vertel een verhaaltje.”

Seasick Steve is op dit moment in Groot-Brittannië op tournee, samen met drummer Dan Magnusson, en speelt voor uitverkochte zalen. Volgende week treedt hij op tijdens het Crossing Border-festival, in Den Haag. Want tegen iedere poplogica in, heeft Steve, die tot een jaar geleden volslagen onbekend was, op zijn zesenzestigste nog het grote publiek bereikt. Die plotselinge doorbraak kwam afgelopen oudejaarsavond toen hij meedeed aan het BBC-programma Hootennany van Jools Holland. Tussen optredens van gearriveerde Britse sterren als Paul Weller en Amy Winehouse, verscheen Steve voor één nummer, Dog House Boogie. Het publiek zag een oude man met een petje, een lange grijze baard en stoere getatoeëerde armen, die met één voet het ritme stampte op een houten doos, en zijn grote handen liet dwalen over een kleine rode gitaar met drie snaren.

Hij speelde alsof het de laatste keer was. De knoestige blues kreeg vleugels door de furie in Steve’s stem. In het nummer vervlocht hij een gesproken introductie op zichzelf: opgevoed door een hardhandige stiefvader (‘It was hell, y’all’), weggelopen op zijn veertiende, en vervolgens een zwerversleven geleid dat ‘sometimes cold and hungry’ was.

Dat ene liedje betekende Steve’s entree

in de popwereld. Het afgelopen jaar heeft hij op alle grote festivals in Engeland gespeeld. Hij maakte zijn nieuwe cd, met hulp van onder anderen Nick Cave en stond voor uitverkochte zalen. De erkenning komt net op tijd, zegt hij. „Zonder Jools was ik waarschijnlijk gestopt met muziek maken. Ik doe het al mijn hele leven, en een jaar geleden had ik er eigenlijk genoeg van.”

Nadat de jonge Steve in aanraking was gekomen met de blues, leerde hij zichzelf gitaar spelen en trad hij zoveel mogelijk op. Om geld te verdienen wisselde hij de muziek af met werk als cowboy en klusjes in de bouw. Hij woonde in die jaren, naar eigen zeggen, op 56 verschillende plaatsen.

Hij trouwde, kreeg twee zonen, en scheidde. Begin jaren tachtig ontmoette hij zijn Noorse vrouw en kreeg drie zonen. Ze verhuisden nog regelmatig, tot Steve en zijn vrouw zich eind jaren negentig in Noorwegen vestigden. Van daaruit reisde hij naar Engeland om met geestverwanten muziek te maken.

Juist toen Steve samen met een paar muzikanten op tournee zou gaan, kreeg hij een hartaanval. Dat voelde alsof er ‘een olifant op hem ging zitten’, zegt hij. „Het herstel duurde lang, en daarna voelde ik me kwetsbaar. Ik dacht niet dat ik ooit nog op tournee kon gaan.”

Thuis in Noorwegen, in de keuken van zijn huis, nam hij in zijn eentje de cd Dog House Music op. „Ik wilde er verder niets mee, ik wilde alleen die liedjes vastleggen. Vrienden in Engeland vroegen of ze de cd mochten uitbrengen. Ik stemde in, al leek het me onwaarschijnlijk dat die liedjes voor anderen interessant zouden zijn.” Het verschijnen van Dog House Music zou de eerste stap zijn naar Steve’s wonderbaarlijke doorbraak.

Inmiddels woont hij in een huis op het platteland in Norfolk, Engeland, maar in zijn liedjes vertelt Steve nog over het bestaan dat hij ooit leidde. Over het lange wachten op de trein, over wachten op vrienden die nooit komen, over grasvlooien die op je kuiten willen wonen (‘I wear my socks up to my knees, they still make a motel out of me’, in Chitters). Al klinkt hij gelaten, uit de teksten lijkt ook tevredenheid te spreken, en zelfs trots. Klopt dat? „Als jonge man had ik er wel eens last van dat ik niet de mogelijkheden had die anderen wel hadden. Ik kon eigenlijk niets, behalve klussen. Dan dacht ik: ik wou dat ik een goede opleiding had gehad.” Hij lacht. „Maar daar was ik snel overheen. Later was ik juist blij dat ik heb leren omgaan met ontberingen. Het maakt je vindingrijk, ik weet dat ik me altijd kan redden. Nu gaat het wat beter, maar als ik weer eens in moeilijke omstandigheden beland, zal het voor mij geen schok zijn. Dat neemt niemand mij meer af. Mensen die gewend zijn aan comfort, hebben dat voordeel niet.” Hij lacht weer zijn schorre lach. „Niet dat ik andere mensen mijn problemen toewens, hoor.”

Terugkijkend zegt hij: „Wat er ook gebeurt, ik ben vooral tevreden dat ik nog altijd samen ben met mijn vrouw, en dat we onze kinderen hebben kunnen grootbrengen.”

Volgende week, op Crossing Border

, zal het publiek meemaken hoe Seasick Steve en drummer Dan Magnusson concerten geven. Volgens Steve wordt hij ‘bezeten door mafheid’, op het moment dat hij het podium oploopt. Hij speelt andere liedjes dan afgesproken, improviseert, en legt de muziek stil om met het publiek te praten en verhalen te vertellen. Het is moeilijk om niet te improviseren, zegt hij, omdat de simpele bluesriffs onophoudelijk omhoog komen borrelen. „De laatst tijd schrijf ik iedere dag een nieuw nummer, het is alsof ik een bron heb aangeboord. Nu maar afwachten hoelang het publiek het leuk blijft vinden.”

Over zijn carrière maak hij zich weinig illusies. „Ik heb het zien gebeuren in de jaren zestig. Toen was er een bluestrend: al die oude blueszangers werden tevoorschijn gehaald en toegejuicht. Maar twee jaar later was niemand meer geïnteresseerd, en de bluesmannen werden weer vergeten. Zo kan het mij ook vergaan.”

Seasick Steve was nooit eerder in Den Haag, maar wel in Amsterdam. In de jaren zeventig brachten zijn omzwervingen hem naar Europa, vertelt hij. „Toen heb ik op straat gespeeld in Frankrijk, en later ook in Amsterdam. Ik sliep onder bruggen of op het station. Amsterdam was aardig voor me, ik weet nog dat ik door mensen werd uitgenodigd om in een kraakpand te komen logeren. Voor een professionele straatslijper als ik was dat heel luxueus.”

De cd I Started Out With Nothin And I Still Got Most Of It Left is verschenen bij Warner Music. Seasick Steve treedt op: 21/11 Crossing Border, Den Haag en 13/02/09, Paradiso, Amsterdam.