Scheiden soft- en harddrugs lukt niet meer

De distributie en de productie van softdrugs in Nederland zijn deels in handen gekomen van de georganiseerde misdaad. De scheiding van softdrugs en harddrugs is daarmee „in het ongerijmde geraakt”.

Dit concluderen twee hoogleraren strafrecht in een vandaag verschenen rapport over de aanpak van grensoverschrijdende drugsproblematiek in de regio rond Zuid-Limburg, de Euregio. De scheiding van softdrugs en harddrugs is de belangrijkste doelstelling van het Nederlands gedoogbeleid.

De Tilburgse hoogleraar Cyrille Fijnaut en zijn Belgische collega Brice de Ruyver zijn zeer kritisch over dat gedoogbeleid. De „grootschalige en fijnmazige commercialisering van de distributie van softdrugs” heeft ertoe geleid dat de productie ervan deels in handen is gekomen van de georganiseerde misdaad. „Die had zich geen betere en stabielere afzetmarkt kunnen wensen.”

Nederland heeft het gedoogbeleid de afgelopen jaren bovendien niet strikt gehandhaafd. Dat heeft „de toch al twijfelachtige geloofwaardigheid van het Nederlandse drugsbeleid tot op het bot ondermijnd”, aldus de onderzoekers.

Vermindering van het aantal coffeeshops in de grenssteden kan de drugsproblematiek in Nederland, België en Duitsland terugdringen. In hun eigen landen kunnen drugstoeristen evengoed illegaal softdrugs kopen, zo staat in het rapport. Het bestuur van de Euregio had opdracht gegeven tot het rapport. De drugsproblematiek had een „negatieve invloed op de bestuurlijke verhoudingen” tussen de landen.

De hoogleraren pleiten ook voor een betere samenwerking tussen de opsporingsdiensten in de drie landen en voor het formeren van een narcoticadienst binnen de recherche in Zuid-Limburg. Die dienst zou moeten worden belast met onderzoek naar de bevoorrading van de coffeeshops. „Het is de hoogste tijd dat de achterdeur van de coffeeshops in beeld wordt gebracht.”

Ook zou in Maastricht kunnen worden begonnen met de verplaatsing van één of hooguit twee coffeeshops naar de grens. Maar waar die precies moeten komen, en onder welke voorwaarden, moet met instemming met de Nederlandse en Belgische buurgemeenten worden bepaald.