Scènes uit een huwelijk

De effecten van Greet Hofmans’ ‘doorgevingen’ op het leven op Soestdijk waren in grote lijnen wel bekend. Het zijn vooral de vele details die Fasseurs nieuwe boek zijn meerwaarde geven.

Cees Fasseur: Juliana & Bernhard. Het verhaal van een huwelijk. De jaren 1936-1956. Balans, 496 blz. € 27,50

Het is allang geen geheim meer dat koningin Juliana in de jaren 1948-1956 in de ban verkeerde van de gebedsgenezeres Greet Hofmans, aanvankelijk in de hoop dat die wat zou kunnen doen aan de ernstige oogkwaal van haar dochter Marijke. En evenmin dat die situatie uitliep op een hooglopend conflict aan het hof. Ging het daarbij alleen om uit de hand gelopen huwelijksproblemen? Of wilde Hofmans ook invloed op staatszaken en leidde dat tot een constitutionele crisis? In elk geval moest er in 1956 een commissie van drie wijzen aan te pas komen om de ‘reuze keet’ ten paleize te bezweren. Het rapport van die commissie-Beel bleef tot deze week achter slot en grendel in het Koninklijk Huisarchief.

In zijn boek Tegels lichten uit 1972 zag H.J.A. Hofland in deze affaire nog een ‘warwinkel van vaagheden, schichtigheid, angstig schouderophalen, elkaar tegensprekende interpretaties en Wichtigmacherei’. Inmiddels is de toestand sterk verhelderd. Er is weliswaar veel gefantaseerd en geroddeld maar er is ook serieus onderzoek gedaan, zoals door Hans Daalder in Drees en Soestdijk (Balans, 2006) en door Lambert Giebels in De Greet Hofmans-Affaire (Bert Bakker, 2007). Tot dusver kreeg echter niemand toegang tot het Koninklijk Huis Archief. De historicus Cees Fasseur – oud-hoogleraar aan de Universiteit Leiden – kreeg die toegang wel. De meerwaarde van zijn boek schuilt niet zozeer in de grote lijn, die inmiddels wel bekend is, maar in de vele bijzonderheden. ‘Der liebe Gott steckt im Detail.’ Hij schrijft bovendien zeer onderhoudend, met een licht ironische ondertoon. Dat hij wel eens persoonlijke levenslessen in de tekst smokkelt – zoals over bestandslijnen in langdurige huwelijken – neem je op de koop toe.

Fasseur volgt het spoor van het huwelijk van Juliana en Bernhard terug tot hun geregisseerde kennismaking in 1936 en laat vervolgens zien hoe Bernilo Lula min of meer ontvoerde uit de verstikkende omgeving van het Nederlandse hof. De oorlog was voor beiden een life changing experience. Voor Bernhard het avontuur van zijn leven. Voor Juliana (door haar moeder met de twee prinsesjes naar Canada gestuurd) een exercitie in gewoonheid en zelfstandigheid. Het huwelijk zou nooit meer hetzelfde zijn. Dat de prins zich in Londen troostte met andere vrouwen was gezien de oorlogshectiek misschien verklaarbaar. Wat Juliana daar precies van wist en vooral wat ze ervan vond, blijft ook voor Fasseur giswerk. Maar behalve een Lebemann was de prins ook een family man, die zijn vaderrol met overgave speelde. Hij was het ook die Greet Hofmans in 1948 naar Soestdijk bracht en daarmee het Paard van Troje binnenhaalde.

Hofmans’ methode bestond uit het ontvangen van ‘doorgevingen’ van Boven: in orakeltaal vervatte antwoorden op vragen en noden die haar waren voorgelegd. Hoe dat in zijn werk ging, vertelde zij later aan de commissie-Beel. De koningin kwam bij haar en zei dan: ‘Ik puzzel ergens mee. Hebt u een doorgeving?’ Van die doorgevingen worden er in het huisarchief pakken bewaard. Hun toonzetting past bij een tijd vol zweverige godsdienstigheid, vooral in bepaalde betere kringen. Wie daarvoor gevoelig was, interesseerde zich vaak ook voor astrologie en grafologie, aardstralen, wichelroedes en vliegende schotels.

De vraag is of Hofmans’ doorgevingen beperkt bleven tot het puur persoonlijke of dat ook staatszaken aan de orde kwamen. Noch de commissie-Beel noch Fasseur heeft daarvan sporen gevonden. De dagelijkse taken van het staatshoofd (die in dit boek overigens grotendeels buiten beeld blijven) hadden weinig van doorgevingen te lijden. Maar de grens tussen privé en publiek ligt bij een koningin anders dan bij gewone stervelingen. Het persoonlijke wordt bij een koningin al snel politiek. Het was dan ook niet zo vreemd – en soms ook terecht – dat sommigen gingen vermoeden dat ietwat wonderlijke koninklijke woorden, zoals bij de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië in 1949 of bij het veelbesproken Amerikaanse staatsbezoek van 1952, mede waren ingegeven door Hofmans.

De naam Raspoetin was dan ook al herhaaldelijk gevallen voor die uiteindelijk op 13 juni 1956 via een allesonthullend artikel in Der Spiegel de wereld bereikte (behalve Nederland dan, want daar werd het nummer niet verspreid). Hofmans bleek het middelpunt van een soort sekte die zich ophield in statige Baarnse lanen, en waartoe ook behoorden de particulier secretaris van Juliana, Walraven van Heeckeren, diens bazige vrouw Rita, een vroegere gouvernante van de prinsessen, en zijn moeder, de grootmeesteres van de koningin. Het hof was verdeeld in twee kampen, met Bernhard aan het hoofd van de anti-Hofmansfactie. Beide groepen organiseerden ook bijeenkomsten van geestverwanten: de Oude Loo-conferenties voor de Hofmans-gelovigen en de Bilderberg-conferenties waar prins Bernhard groten uit de internationale politiek en het bedrijfsleven bijeenbracht. Wat simpel gezegd: derdeweggers en fellowtravellers aan de ene kant, het militair-industrieel complex en de NAVO aan de andere.

Het politieke werd echter ook weer heel persoonlijk omdat de Hofmans-twist de koninklijke familie verscheurde, tot de beide oma’s toe. Bernhard hechtte sterk aan zijn moeder prinses Armgard, woonachtig op Warmelo bij Diepenheim. Juliana betichtte hem zelfs van een moederbinding en een oedipuscomplex. Wilhelmina op haar beurt steunde haar dochter Juliana onvoorwaardelijk. Bernhard met wie ze het in Londen nog zo goed had kunnen vinden, vond ze nu een leugenaar en een gespleten natuur. Al in 1950 vroeg Wilhelmina zich af: ‘Is hij nog te redden?’ De oudste dochters Beatrix en Irene kozen in het conflict partij voor hun vader. Zij prefereerden ook de gezelligheid van het Warme Loo boven het Koude Loo van Wilhelmina. In deze familietwist dreigde Juliana in een akelig isolement te raken. Zij brak (bijna verbaasd dat ze hiertoe in staat was) met schoonmoeder Armgard. Bernhard van zijn kant verwijderde het distinctief W van zijn uniform, dat aangaf dat hij adjudant was van Wilhelmina.

In 1956 verhardde de crisis. Er vielen grote woorden als Echtscheiding en zelfs Abdicatie. De doorgevingen van Hofmans werden nu politieker en ook duidelijker, waarschijnlijk omdat haar hand werd vastgehouden. Ministers moesten (als gevolg van zo’n doorgeving) bij de koningin verantwoording komen afleggen over hun beleid in de afgelopen kabinetsperiode. Daar trok een opgewonden ministerraad de grens. ‘Wij hebben het gehad’, heette het in de kladaantekeningen van de secretaris.

Hoe Bernhard via de Britse journalist Sefton Delmer de buitenlandse pers informeerde en daarmee de kat de bel aanbond, is al vaker verteld. De instelling van de commissie van drie was van die onthullingen het rechtstreeks gevolg. Surrealistisch was wel dat dit driemanschap het Lek naar de pers moest opsporen mede op verzoek van dat Lek zelf. Formeel was de instelling van de commissie een particulier initiatief van koningin en prins. De drie uitverkoren wijzen – Beel, Gerbrandy, Van Starkenborgh – namen ostentatief ontslag uit hun publieke functies of schortten die op. Toch oogt dit alles wat gekunsteld en lijkt het vooral een poging het werk van de commissie hoe dan ook buiten de politiek te houden. Het was een rookgordijn om te verhullen dat er heel wat meer aan de hand was dan wat perikelen ten paleize. Anderzijds was het nu openbaar gemaakte rapport van de commissie naar inhoud en toonzetting onmiskenbaar gericht op de privésfeer van koningin en prins en dus geen staatsstuk.

Juliana haalde in de aanbevelingen bakzeil. Ze moest haar banden met Hofmans en haar kring verbreken, de Van Heeckerens van het hof verwijderen en haar betrokkenheid bij de Oude Loo-conferenties beëindigen. Zij gaf zich overigens niet meteen gewonnen en voerde nog een verbeten achterhoedegevecht. ‘Als ik met een heilige omga, heet ik staatsgevaarlijk’, mopperde ze. En Beel beet ze toe: ‘Kunt u de Paus opgeven?’ Een vriendin als freule Wittewaall van Stoetwegen achtte Juliana in deze periode ‘geestelijk van de kook’.

Maar ook Bernhard moest inleveren. Weliswaar kreeg Juliana het niet voor elkaar dat er een eind werd gemaakt aan de Bilderberg-conferenties, maar Bernhard moest zijn vrouw wel op de hoogte stellen van zijn reizen, redevoeringen en contacten in binnen- en buitenland. Want het zinde Juliana niet dat ze dergelijke informatie soms uit de krant moest halen. Met de wijsheid achteraf van de Lockheed-affaire van 1976 is het jammer dat aan deze gedragslijn niet beter de hand is gehouden.

Van een constitutionele crisis die de verhouding tussen koning en ministers diepgaand raakte was in 1956 nog geen sprake. Premier Drees had die dimensie (met medewerking van Juliana zelf) tot dusver redelijk onder controle. Dat neemt niet weg dat het Hofmans-drama een majeur conflict was dat had kunnen uitgroeien tot een koningskwestie. Fasseur heeft dit drama van binnenuit beschreven als een huwelijkscrisis en een hofconflict. Hij trekt ook pertinente conclusies. Maar tegelijkertijd wordt de lezer als het ware uitgedaagd zich een eigen oordeel te vormen. Dat is een knappe prestatie.