Ontbinding die niet te stuiten is

‘Een wereld valt uiteen’ is nu net zo onontkoombaar als bij de publicatie in 1958, betoogt Bas Heijne in de tweede aflevering van de Leesclub.

Chinua Achebe was 27 toen hij Een wereld valt uiteen schreef. Zijn debuut verscheen in 1958. Lees je het nu, een halve eeuw later, dan kost het weinig moeite om te beseffen hoe nieuw dit boek geweest moet zijn. Alles wat er sindsdien over gezegd is – dat Achebe Afrika een stem heeft gegeven, dat zijn roman afrekent met het stereotiepe beeld van het continent als het hart der duisternis, bevolkt door onbewuste, even kinderlijke als barbaarse wilden, dat deze schrijver voor het eerst de pijn en het trauma van het kolonialisme van binnenuit literair vorm gaf – je vindt het er ook nu nog met gemak in terug. Tegelijk is dat ook het gevaar: wanneer een roman klassiek wordt, en zeker een baanbrekende roman als Een wereld valt uiteen, heb je de neiging om hem te lezen om wat hij betekend heeft – in zijn tijd, in zijn cultuur – niet om wat hij je nu te zeggen heeft. Het boek heeft zijn emancipatoire werking gehad. Blijft het ook los daarvan overeind?

In het voorwoord bij de uitgave in de Penguin Modern Classics-reeks beschrijft de van oorsprong Nigeriaanse schrijver Biyi Bandele de roman van Achebe als zowel een ‘celebration’ als een ‘interrogation’ van de zeden en cultuur van de Igbo, een volk dat in het zuidoosten van Nigeria woont en waarvan Achebe zelf afstamt. In die twee woorden zit iets ongemakkelijks. Hoe kun je iets vieren en het tegelijkertijd aan een kritisch onderzoek onderwerpen? Als Achebe de cultuur van de Igbo heeft willen vieren en de ondergang ervan door het kolonialisme wil veroordelen, waarom beschrijft hij de wereld van deze stam dan in zulke ambivalente, duistere tinten? Want de wereld van de Igbo en in het bijzonder die van de hoofdpersoon, de strijder Okonkwo, is een gesloten wereld, vol onbuigzame opvattingen over moed en eer, omvat door de strakke rituelen van een natuurgodsdienst. Het is een overzichtelijke, wonderlijk hechte wereld, maar hij is ook claustrofobisch. Tweelingen worden gezien als iets slechts en zonder pardon gedumpt in het Woud van het Kwaad. De jongen Ikemefuna die als zoenoffer door een naburige stam bij Okonkwo in huis is gekomen, wordt van de ene op de andere dag afgeslacht. Wanneer de blanke missionarissen arriveren, worden die door de slachtoffers van deze cultuur, onder wie de gevoelige zoon van Okonkwo, als redders in de nood gezien, die zicht bieden op een ander, rijker bestaan.

De dubbelzinnigheid van Bandele’s beschrijving van Een wereld valt uiteen bevindt zich in het hart van de roman. Achebe heeft niets willen vieren of onderzoeken, hij heeft een rasechte tragedie geschreven, waarin goed en kwaad hopeloos verstrengeld zijn. De strijder Okonkwo is een tragische held pur sang, die oprecht probeert te leven volgens de morele wetten waarin hij gelooft – maar die op een gegeven moment niet meer door zijn omgeving gedeeld worden. Zijn geloof maakt hem blind, en door zijn blindheid is hij niet in staat zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden of zich te schikken in zijn lot. Hij wordt van alle kanten afgetroefd; een ongeluk met een geweer dwingt hem tot ballingschap en vernietigt zijn status binnen de stam, een moordzuchtige woede-uitbarsting tegen de blanke overheerser dwingt hem tot een oneervolle zelfmoord.

De roman eindigt met een staaltje dodelijke ironie, wanneer de Engelse districtscommissaris na de zelfmoord van Okonkwo mijmert over het boek dat hij over zijn ervaringen als bestuurder zal schrijven en waarvan hij ons alvast de titel geeft: De pacificatie van de primitieve stammen van de Beneden-Niger. Dat is – in weerwil van alle kritiek van Achebe op de schrijver van Heart of Darkness – typisch Conradiaanse ironie. De taal van verlichting en vooruitgang wordt gebruikt om wreedheid en vernietiging toe te dekken, net zoals in het gloedvolle rapport dat Mr Kurtz in Conrads novelle schreef in opdracht van de Vereniging ter Onderdrukking van Barbaarse Praktijken, waarop de volledig ontspoorde Kurtz later in een woest handschrift zijn enige praktische aanbeveling heeft geschreven: „Uitroeien die beesten!”

Toch is De wereld valt uiteen geen aanklacht. De tragedie van Okonkwo heeft iets onontkoombaars; zijn eigen blindheid, zijn onwrikbaarheid en ook zijn wreedheid werken zijn ondergang in de hand. De strakke, onaangedane zinnen van Achebe beschrijven een proces van ontbinding dat niet te stuiten is. De onmacht van Okonkwo wordt daardoor invoelbaar; het is onmacht van een ieder die zijn vertrouwde wereld uiteen ziet vallen, van de man die zijn greep op zijn familie verliest, van de moedige strijder die gevloerd wordt door omstandigheden die hij niet kon voorzien.

Dat de jonge Achebe een Afrikaan die tragische dimensie gaf, was verbluffend en nieuw en een literaire daad van verzet. Dat die tragedie je nog altijd naar de keel grijpt, bewijst dat zij zich overal had kunnen afspelen.

Reageer op dit stuk of deel uw leeservaring via nrcboeken.nl/leesclub. Volgende week Margot Dijkgraaf over Achebe.