Ondanks internet blijft de krant het échte slagschip

Warna Oosterbaan en Hans Wansink: De krant moet kiezen. Prometheus, 196 blz. € 19,95

De hoofdredacteur van de Volkskrant voorspelde een paar jaar geleden dat de betaalde papieren krant steeds meer ‘een speeltje voor de elite’ zou worden. Later lichtte hij die opvatting nog eens als volgt toe. ‘We zijn nog steeds’, zei hij, ‘de specialisten in het Grote Nieuws, de achtergronden en de duiding daarvan. Maar de twintigers hebben geen krant meer nodig om aan hun nieuws en informatie te komen. We moeten het idee dat de papieren krant je slagschip is, loslaten. Daarmee alleen red je het niet, al ben ik niet pessimistisch. De krant van de toekomst is een geïntegreerd totaalproduct: webkrant, site, radio en tv’.

Hij heeft niet willen wachten op het advies van zijn redacteur Hans Wansink, die intussen met NRC-collega Warna Oosterbaan aan een gedegen analyse was begonnen van de sinds ruim tien jaar vigerende dagbladcrisis. Hun onderzoek mondde uit in een boek, De krant moet kiezen. Pieter Broertjes hád al gekozen.

Wanneer en waarom het ‘gouden tijdperk’ van de krantengroei over z’n hoogtepunt raakte (en tamelijk onverwacht met een scherpe daling van het advertentie-aanbod én de abonnee-toeloop werd geconfronteerd) weten ook Oosterbaan en Wansink niet precies, maar het feit dat ze een proloog wijden aan ‘de krant van 7 mei 2002’, spreekt misschien boekdelen: de moord op Pim Fortuyn wordt te pas en te onpas gebruikt als een cesuurmoment in de moderne vaderlandse geschiedenis.

Achteraf kun je overigens wél vaststellen dat de ‘fortuynisten’ die tot dat ogenblik als grote zwijgende minderheid van de samenleving nog niet erg onderkend, en met name in de pers nog niet erg serieus waren genomen, als eersten een collectief soort hetze tegen de (‘door links beheerste’) journalistiek begonnen. Maar de mode om ‘de media deugt niet’ te roepen, laten Oosterbaan en Wansink nog even onbesproken – het uitgelokte journalistieke nostra culpa bewaren ze voor later – om de proloog op eigen wijze te besluiten. Ze vergelijken de directe breaking-news-berichtgeving van radio en televisie op de avond van de moord met wat er de volgende dag in de krant stond te lezen, en concluderen: ‘Kranten maken een voorlopige balans op, doen een eerste poging tot geschiedschrijving. Het vervullen van deze functies past bij uitstek bij de verschijningsvorm van de papieren krant. Wie de krant van 7 mei 2002 herleest, begrijpt meteen waarom het de moeite waard is om voor de serieuze dagbladjournalistiek op te komen’.

Met dit warme pleidooi voor de serieuze, papieren dagbladjournalistiek gaat het boek van Oosterbaan en Wansink van start. Een voor een komen oude en nieuwe problemen van de krant aan de orde, lezen we over de onstuimige aantrekkingskracht van de internetrivalen, over overeenkomstige ontwikkelingen in het buitenland, en over de vraag of er zoiets als ‘een nieuwe mens’ bestaat die zich alleen nog digitaal wil laten vermaken, ontroeren of informeren – als het in godsnaam maar niet op papier hoeft.

Er komt veel sociologie voorbij. Het inmiddels al weer achterhaalde bakerpraatje van de ‘ontlezing’ bijvoorbeeld, dat nog dagelijks ontkracht wordt door de leeshonger die de boekhandelaar ervaart wanneer hij Arnon Grunberg, Jeroen Smit, Carlos Ruiz Zafón en Cees Fasseur als warme broodjes over z’n toonbank ziet gaan. Oosterbaan en Wansink signaleren de diverse communicatiewetenschappelijke theorieën, die van Amerika tot aan Mark Deuze worden verkondigd, zonder er verder in mee te gaan. Hun boek is zoals de ‘oude’ journalistiek moest zijn: feitelijk, en fit to print.

Een afzonderlijk en bewonderend hoofdstuk is gewijd aan nrc.next, dat nooit zou zijn verschenen als de concurrenten binnen het PCM-concern hun zin hadden gekregen: Trouw, Algemeen Dagblad en Volkskrant vreesden ‘oneerlijke concurrentie’. In werkelijkheid bleek nrc.next in staat vooral jonge lezers vertrouwd te maken met een papieren krant die in opmaak, nieuwsselectie en schrijfwijze met succes de belangstelling bevordert voor politieke, maatschappelijke en culturele processen.

De zeven aanbevelingen waarmee Oosterbaan en Wansink besluiten zouden hier en daar gelezen kunnen worden als open deuren, ware het niet dat sommige van die deuren helaas zijn dichtgeslagen. ‘Kranten zouden er naar moeten streven de beste auteurs, fotografen, eindredacteuren en vormgevers aan zich te binden’ – dat advies blijkt nodig in een tijd waarin kranten gretiger zoeken naar personeel voor ‘webkrant, site, radio en tv’.

Maar ’t scherpst is natuurlijk aanbeveling zes, eerder een vaststelling dan een advies: ‘Een concern als PCM waarin drie kranten concurreren in het marktsegment van hoog opgeleide lezers, en waar nooit iets is terechtgekomen van de beoogde basisverbreding, is een jammerlijke mislukking en een handicap voor de verdere ontwikkeling van de krantentitels die er deel van uitmaken’.