Niets

Toen ik binnenkwam, begroette ik hem. Hij bleef star voor zich uitkijken. Omdat ik dacht dat ik hem misschien te voorzichtig had aangesproken, herhaalde ik mijn groet, wat er toe leidde dat hij langzaam en geïrriteerd opkeek, alsof ik hem uit een diepe slaap had gewekt. Hij maakte een grommend geluid en hief zijn lichaam met tegenzin uit zijn stoel.

Ik was het Museum für Moderne Kunst in Frankfurt binnengegaan om de tentoonstelling When no means no van Melvin Moti (Rotterdam, 1977) te zien. De suppoost slofte achter me aan. Wanneer ik nerveus omkeek om te zien of hij er nog steeds was, blikte hij ronduit kwaadaardig terug als om me duidelijk te maken dat ik hier niets te zoeken had. Ondanks zijn aanwezigheid probeerde ik me te concentreren op een tekstwerk van Moti over herinnering en nachtmerries. Hij beschrijft hoe de grootste angst ontstaat bij dreiging van gevaar. De dreiging boezemt meer angst in dan het gevaar zelf.

De overheersende aanwezigheid van wat nog gestalte moet krijgen, of wat alleen nog in de herinnering voortleeft, bindt alle werken die ik van Moti in Frankfurt zag. In de film No Show (2004) wordt een rondleiding gegeven langs lege plekken aan de wand van een ontruimde Hermitage in Sint Petersburg. De man die met groot enthousiasme de rondleiding geeft, beschrijft tot in detail de werken die hij jarenlang moet hebben gezien. Een door hem beschreven naakt doet zijn publiek verlegen grinniken. Niemand komt in beeld; de mensen krijgen vorm door het geluid van hun stemmen en bewegingen. In beeld is alleen een lege ruimte, schilderachtig in zijn vage contouren, waarin het steeds donkerder wordt. Tegen het slot van de film heb je het idee een uitgebreide tentoonstelling te hebben bezocht, terwijl het enige feitelijk aanwezige beeld de lege kamer was.

Moti roept hiermee een lucide duisternis op die zowel onderwerp als vorm is in zijn laatste film The Prisoner’s Cinema (2008).

Om de suppoost kwijt te raken, vluchtte ik achter het zwarte gordijn van het zaaltje waar deze film pas over tien minuten zou beginnen. Met het schermpje van mijn mobiele telefoon als toorts vond ik een bankje, en besloot de duisternis op me in te laten werken. In het donker zag ik kleine golven aan het eind van de ruimte oplichten, en hoewel het gordijn na mijn binnenkomst niet opzij geschoven was, meende ik op een gegeven moment de suppoost te zien hurken in de hoek. Hij staarde me aan.

De film van Moti bracht een intensivering van deze beweeglijke duisternis. De stem van een man beschrijft wat hij ziet wanneer hij in een verduisterde ruimte is opgesloten. Een mechanisch klinkende stem spoort hem aan om alles wat hij ziet zo gedetailleerd mogelijk te beschrijven. De ondervraagde ziet golven, cirkels, exploderende sterren. Een zwarte bloem ontvouwt zich in lagen zwart, terwijl op het filmdoek slechts vage kleuren worden geprojecteerd.

Toen ik de suppoost met trage pas en met gestrekte handen op me af zag komen, ben ik het donker uit gevlucht. Voorbij het gordijn zag ik dat hij in werkelijkheid ineengedoken op zijn stoel zat, vlak naast de uitgang. Uit angst dat hij zou gaan bewegen, vluchtte ik naar buiten.

Duisternis is niet uit monotoon zwart geweven, maar betoverend als noorderlicht, en misschien wel complexer. Je hoeft er alleen maar je ogen voor te sluiten om het te zien.