Niemand weet wat Royal wil

Wat gaat Ségolène Royal, oud-presidentskandidaat en mogelijk nieuwe partijleider, doen? Die vraag stellen de Franse socialisten zich in Reims, waar ze praten over de koers van de ruziënde partij.

Wilde ze, of wilde ze niet? Stersocialiste Ségolène Royal hield het Franse publiek deze week in spanning. Anderhalf jaar nadat ze het in levendige presidentsverkiezingen aflegde tegen Nicolas Sarkozy, zou ze woensdag in een rechtstreeks interview in het tv-journaal zeggen of ze de Parti Socialiste wil leiden, Frankrijks grootste oppositiepartij.

Nou? Royal zei dat ze er „veel zin in” had „ook al ben ik geen partijvrouw”. Maar of ze ervoor gaat, weet ze nog niet. „Saamhorigheid is wat mij betreft nooit een voorwaarde geweest voor mijn kandidatuur”.

Zo is het met de PS na anderhalf jaar oppositievoeren tegen Nicolas Sarkozy: nog altijd op zoek naar een leider, naar eenheid – en naar een koers. Vandaag begint in Reims een driedaags congres dat opheldering zou moeten brengen.

Na elf jaar vertrekt eerste secretaris François Hollande als partijleider. Naar het einde van zijn bewind wordt uitgezien. De PS is gemeten naar het aantal lokale en regionale bestuurders de grootste partij van het land geworden, maar Hollande staat symbool voor dieptepunten. Van de twee verloren presidentsverkiezingen was die met Jospin als kandidaat in 2002 dramatisch. En de wonden door de verdeeldheid rond het referendum over de Europese grondwet in 2005 zijn nog altijd niet geheeld. Inhoudelijke vernieuwing is uitgebleven.

Behalve – misschien – Royal meldden zich ook de Parijse burgemeester Bertrand Delanoë, ex-minister en burgemeester van Lille Martine Aubry en europarlementariër Benoît Hamon om Hollande op te volgen. Maar rustig bleken de socialisten in de aanloop naar het nieuwe begin niet. Terwijl sociaal-democraten elders de wind in hun zeilen voelen draaien door de kredietcrisis en de economische problemen, schitterde de PS door clanruzies en machteloze oppositie. Zo onthielden de socialisten zich van stemming over de economische reddingsplannen van de regering – en kregen daar weer ruzie over.

De verdeeldheid werd deze week nog vergroot door een afsplitsing. Parlementariër Jean-Luc Mélenchon kondigde de oprichting aan van een Parti de Gauche – naar het voorbeeld van de Duitse Linke Partei – om tegenwicht te bieden aan de „verwording [van de PS] tot een centrum-linkse partij”. Die nieuwe partij kan als magneet op de linkervleugel in de PS fungeren. Alleen heeft in Frankrijk zo’n partij op uiterst links al grote concurrentie. Vanuit de vitale trotskistische beweging is de jonge politicus Olivier Besancenot bezig een Nouveau Parti Anticapitaliste op te richten, die volgens peilingen nu zou kunnen rekenen op dertien procent.

Wat is er aan de hand bij Frans links? „De slinger komt terug”, zegt Jean Vigreux, historicus en auteur van een studie over Europese ‘socialismes’ sinds de negentiende eeuw. Hij signaleert bij de PS-leiders een ruk naar links. In de ‘crisis in het kapitalisme’ hervindt Frans links weer iets van zijn oude ‘universalistische’ roeping, denkt Vigreux.

De afgelopen jaren verklaarde die traditie volgens hem al de relatieve bloei van de andersmondialisten in Frankrijk. Ook de trotskisten vinden nu aansluiting bij de erfenis van het Franse mainstream-links. Over de nieuwe partij van Besancenot zegt hij: „De NPA is niet radicaler dan toen François Mitterrand de socialistische partij leidde”.

Ook president Sarkozy zinspeelde de afgelopen maanden op een verlinksing van de publieke opinie. Tijdens een grote politieke rede in Toulon waarschuwde hij de kiezers zich niet tegen het kapitalisme en de mondialisering als zodanig te keren. De afgelopen weken omschreef hij zijn eigen ideeën over overheidsregulering in de markteconomie herhaaldelijk als „bijna centrum-links”.

Maar de PS gaat niet naar links, meent Olivier Ferrand, directeur van Terra Nova, de Franse zusterorganisatie van sociaal-democratische denktanks als de Wiardi Beckmanstichting in Nederland. Integendeel. De PS heeft eindelijk „zijn ideologische modernisering bezegeld”, zegt Ferrand . Deze zomer nam de partij met ruime meerderheid een nieuw beginselprogramma aan. Daarin werd voor het eerst officieel de markteconomie omarmd. Moderne principes als ecologie en democratische vernieuwing kregen een prominente plaats.

De modernisering brengt de PS juist meer naar het centrum, denkt Ferrand. Van de vier stromingen die nu om het leiderschap concurreren, heeft alleen Hamon „wat linksere ideeën”, zegt hij. De anderen worstelen met dezelfde dilemma’s als andere Europese sociaal-democratische partijen. „Iedereen is ervan doordrongen dat de verzorgingsstaat niet meer werkt. Daarmee losten wij vroeger problemen die op de vrije markt ontstonden achteraf en op nationale schaal op. Dat kan niet meer met problemen die ontstaan in een mondiale economie of door klimaatverandering. En je ziet dat de kandidaten zoeken naar regulatie vooraf en op Europese en mondiale schaal.”

Maar waarom moet dat dan met zoveel moeite en onderling gekrakeel? Volgens Ferrand is het probleem dat de PS geen leiders ‘produceert’. De verkiezingen zijn ongekend ingewikkeld. In de aanloop naar het congres hebben de leden gestemd op een ‘motie’ – een soort partijprogramma. Daarin bleek de stroming-Royal vorige week verrassend de grootste, met 29,5 procent. Delanoë, vooraf favoriet, kreeg steun van 25 procent van de leden, evenals Aubry. En de linkervleugel van Hamon, de enige veertiger, bleek 19 procent te ‘wegen’.

Die stromingen zijn tot en met het congres verwikkeld in een paringsdans. En pas daarna, volgende week, stemmen de PS-leden op een kandidaat-leider.

Wie het ook wordt, volgens Ferrand is nu al duidelijk dat de leiderschapscrisis in de PS na het congres zal voortduren. „We bevinden ons in de ergst mogelijke situatie. Wie het ook wordt, niemand is sterk genoeg om richtinggevende keuzes te maken.”