Heerlijke onverschillige wereld

In de poëzie van Rutger Kopland wordt al decennia gezocht met het expliciete doel om niet te vinden. In zijn nieuwe bundel lijkt de dichter te anticiperen op zijn eigen verdwijning.

Rutger Kopland: Toen ik dit zag. Van Oorschot, 52 blz. € 19,50 / € 13,50

Wie wil weten wat Rutger Kopland drijft, hoeft slechts naar Rotterdam af te reizen om daar de Giacometti-tentoonstelling te bekijken. Diens bronzen en gipsen figuren, steeds dunner en ijler wordend, waren geen poging om mensen natuurgetrouw na te bootsen, maar om de ruimte te laten zien waarvan zij slechts uitsparingen zijn. Giacometti’s beelden maken de leegte die ze omringt aanwezig.

Hoewel Rutger Kopland geen beeldhouwer is maar dichter, lijkt hij hetzelfde te willen. Zijn gedichten zijn steeds leger geworden en ebben steeds meer weg in het wit van de pagina. Ging het in zijn vroege werk, uit de jaren zestig en zeventig, nog wel eens ironisch over ontroerende moestuinen of opdringerige Jehova’s getuigen aan de deur, daar is geen sprake meer van. In de vandaag verschenen nieuwe bundel, Toen ik dit zag, draait het om afwezigheid.

Weliswaar komen we in deze poëzie bomen tegen, boerderijen en een enkele koe, vrijwel alles is al bezig te verdwijnen. Zoals de gevelde esdoorn uit het uitzicht van de dichter, die de boom alleen nog ziet als hij aan hem denkt en ‘als ik door de ruimte kijk/ boven de lege plek/ waar hij leefde’. Eerder wijdden generatiegenoten en collega-dichters als Kouwenaar en Campert ook gedichten aan gekapte bomen – het is blijkbaar een verleidelijke metafoor voor het voorbijgaan van de tijd, het ouder worden en sterven.

Toch is er voor Kopland een belangrijk verschil tussen hemzelf en die boom: de natuur is benijdenswaardig in haar onverschilligheid – voor haar bestaat er geen tijd. Ook van degene die naar haar kijkt trekt de wereld zich niets aan – het landschap is doelloos en blijft volkomen onaangedaan onder onze blik, zoals blijkt uit de cyclus ‘Aan het grensland’: ‘je denkt dat het land daar voor jou bedoeld is/ maar je weet het is voor niemand bedoeld’.

Dat gegeven komt regelmatig terug en in deze veertiende bundel van de P.C. Hooftprijswinnaar gaat het opnieuw om ‘deze prachtige/ onverschilligheid van de wereld’. Juist door die onaangedaanheid leent de wereld zich voor vragen die de dichter zelf ‘overbodig’ noemt maar die hij desalniettemin al jaren blijft stellen: ‘Wat betekent dat, als iets er is en dan verdwijnt? Wat houdt het in om ernaar te kijken? Wat doet de tijd ermee?’

Vanzelfsprekend winnen die vragen aan betekenis nu de ouder wordende dichter anticipeert op zijn eigen verdwijning. Daarvan krijgt hij al een voorproefje als hij een tijd van huis is geweest, en terugkomt in zijn tuin. Hoe geliefd de tuin ook is, zij trekt zich van haar eigenaar niets aan. De tuin ‘kijkt mij recht in mijn gezicht/ het is vreemd te bedenken dat zij mij/ niet kent, zich mij niet herinnert’. Uit die regels blijkt het grote verschil tussen deze poëzie en de beelden van Giacometti. Bij de beeldhouwer zijn de dingen er gewoon – een enorm been, een vrouw – terwijl Kopland filosofeert over het feit dat ze er zijn, en wat ze te betekenen hebben. We kunnen zijn gedichten dus beter vergelijken met de catalogus bij de Giacometti-tentoonstelling dan met de beelden zelf.

Deze gedichten hebben immers een wat secundair karakter: ze beschrijven wat de dichter ziet in het beeld dat weergeeft wat een ander ooit zag. Nu heeft poëzie altijd te kampen met het reflecterende van taal: woorden betekenen van zichzelf nu eenmaal al meer dan een stuk klei of brons. Maar Kopland heeft van het schrijven over beeldende kunst in de afgelopen decennia ook zijn specialisme gemaakt. In Toen ik dit zag staan opnieuw veel gedichten bij foto’s, beelden en schilderijen.

‘Titus aan zijn schrijftafel’ is bijvoorbeeld een gedicht met een interpretatie van het gelijknamige portret dat Rembrandt van zijn zoontje maakte. Kopland vertelt wat Rembrandt eigenlijk schilderde: ‘het nadenken van een kind/ hoe ernstig hoe stil dat gezicht is/ hoe het kijkt alsof het kijkt in een verte’. Het kind gaat bijna iets schrijven maar doet dat niet: ‘dat is wat wij zien – dat/ iets niet geschreven kan worden’. Je kan je afvragen of de dichter hier niet ook een portret van zichzelf in smokkelt. In zijn eigen werk gaat het immers ook steeds om dingen die ‘niet geschreven’ kunnen worden. Zo kon een ander schilderij in deze bundel niet anders omschreven worden dan met het woord ‘niets’: de taal schiet blijkbaar tekort ten opzichte van de vanzelfsprekendheid van het beeld.

Dat is niet bepaald een nieuwe gedachte in de poëzie, en ook niet een waar veel lezers nog van wakker liggen. Hoewel Koplands vragen naar de taal en naar het verdwijnen voor hemzelf ongetwijfeld urgent zijn, willen ze dat voor de lezer niet worden. Wellicht heeft dat ook met de toon te maken. Het is het ‘parlando’ waar Kopland school mee heeft gemaakt: zijn zoekende, pratende en vragende wijze van dichten. Door de overstelpende hoeveelheid enjambementen en herhalingen klinkt het naïef en spreektalig. Tegelijk is er natuurlijk veel dichterlijk raffinement voor nodig om een gedicht te laten klinken als spreektaal. Op die natuurlijke, berustende toon wordt in deze poëzie al decennia lang gezocht, met het expliciete doel niets te vinden. Dat blijkt op de lange duur moeilijk spannend te houden: het falen wordt dan te voorspelbaar: ‘Je kijkt en je kijkt en je blijft vragen/ naar wat je ziet, maar wat je ziet/ is het enige antwoord’.

Zo is er veel uitzicht op niets in deze bundel. Des te verbazingwekkender is het dat Kopland het laatste gedicht besluit met een Oscar Wilde-citaat: ‘het geheim van de wereld is het zichtbare // niet het onzichtbare’. Na het lezen van deze poëzie zou je eerder geneigd zijn te denken dat het voor de dichter zelf precies andersom ligt.

Het mooiste zelfportret van Kopland op dit late punt in zijn dichterschap wordt dan ook gegeven in deze regels: ‘Hij is al bijna verdwenen/ In zichzelf in de plek waar hij staat’. Deze regels stammen uit 1978. En Kopland beschreef daarin niet zichzelf, maar een bronzen beeld van een ‘Lopende man’. Gemaakt door, u raadt het al, Alberto Giacometti.