Geschiedenis gaat hier achteruit

Een Brit en een Belgische beschrijven Congo, het door uitzichtloze grondstoffen- oorlogen verscheurde, ‘meest achtergebleven land ter wereld’.

Tim Butcher: Blood River. A Journey to Africa’s Broken Heart Vintage Books, 384 blz. €18,99. Vertaald door A. Jongeling en R. Neugarten als Bloedrivier. Nieuw Amsterdam, 384 blz. € 22,50

Lieve Joris: De hoogvlaktes. Augustus, 218 blz. €15,–

Wie over Congo leest, leert over de Belgische kolonie, over de gruwelen onder koning Leopold II, de korte euforie na de onafhankelijkheid en over de karikaturale koude-oorlogdictatuur van Mobutu Seko Seko. Het mythische land, zo groot als West-Europa, tart nog steeds ieders verbeelding. Op zoek naar Joseph Conrads Mr Kurtz uit diens roman Heart of Darkness of gegrepen door de laatste overblijfselen van tropisch België, heeft menig journalist zich in de gevaarlijke wildernis gewaagd om zich in een ander tijdperk te wanen, om door te dringen tot mensen aan wie de moderne tijd vooralsnog voorbij is gegaan.

De Britse journalist Tim Butcher was vanaf zijn aantreden als Afrika-correspondent voor The Daily Telegraph gegrepen door de onwaarschijnlijke expeditie die zijn landgenoot Henry Morton Stanley eind 19de eeuw langs en over de Congo-rivier maakte. Butcher ziet in hem een soort verre voorganger: nadat Stanley de verloren gewaande ontdekkingsreiziger David Livingstone had opgesnord, gaf de Daily Telegraph hem de opdracht de rivier in kaart te brengen. Met slechts een rugzak als bagage trad Butcher in 2004 in zijn voetsporen. In zijn bestseller Blood River: A Journey to Africa’s Broken Heart, die eerder dit jaar genomineerd werd voor de Samuel Johnson Prize, de belangrijkste Britse onderscheiding voor non-fictie, doet hij op meeslepende wijze verslag van zijn hachelijke tocht door ‘het meest intimiderende, achtergebleven land op aarde’. Achterop motorfietsen, varend in boomstamkano’s en soms te voet reist hij van het Tanganyikameer aan de oostkant van het land 3.000 kilometer door de rimboe naar de Atlantische Oceaan.

Ondanks zijn bescheiden outillage heeft Butcher het 19de-eeuwse logboek van Stanley steeds bij de hand. Dat lijkt potsierlijk. In Congo is tenslotte het een en ander voorgevallen sinds 1878. Terwijl de koloniale geschiedenis van het land tot in detail is beschreven en iedereen Stanleys junglebegroeting ‘Dr. Livingtone, I presume?’ kent, heeft de ‘Grote Afrikaanse Oorlog’ die sinds 1998 in Congo wordt uitgevochten en deze weken weer oplaait, in de wereldpers nauwelijks serieuze aandacht gekregen. Door oorlog, honger en ziekte kwamen naar schatting vier miljoen mensen om het leven. „Geschiedenis”, zegt een VN-medewerker in een godverlaten gat in de Katanga-provincie tegen Butcher, „is een luxe die mensen zich hier niet kunnen veroorloven.”

Maar Butcher is gelukkig journalist genoeg om de actualiteit en de geopolitieke verhoudingen niet uit het oog te verliezen. Al reizend maakt hij de lezer wegwijs in de wirwar van rebellengroepen en plunderende belendende naties, die vooral het oosten van het land onveilig maken. Voor hem is Congo het ‘symbool van het falende Afrikaanse continent’, schrijft hij in de inleiding. Dat hij voor sommige etappes van zijn krankzinnige tocht slechts dezelfde vervoersmiddelen tot zijn beschikking heeft als Stanley honderd jaar eerder, bewijst dat hij niets te veel heeft gezegd. Stanley hoefde zich destijds nog niet druk te maken over gedrogeerde Mai-Mai-rebellen of bloeddorstige Hutu-plunderaars langs de route, maar kwam, net als Butcher nu, in gebieden waar sommige mensen nog nooit een blanke gezien hadden.

In dorpen zonder enige moderne constructie, telefoon, elektriciteit of stromend water, vraagt Butcher wie zich herinnert wanneer het leven ‘normaal’ was. Alleen hoogbejaarden verhalen over een tijd waarin de mansbrede paadjes van stad naar stad nog serieuze autowegen waren, over tijden waarin überhaupt weleens gemotoriseerd verkeer passeerde, de scholen nog leraren hadden en waarin toeristen (zoals de moeder van Tim Butcher) voor hun plezier met een stoomboot of een luxe trein door Congo trokken. Nu komt Butcher in gebieden waar kinderen van het bestaan van auto’s geen weet hebben. Er is geen plek op aarde, constateert hij treffend, waar grootvaders meer van de moderne tijd hebben meegekregen dan hun kleinkinderen.

Net als de Telegraph-correspondent kreeg ook de Vlaamse schrijfster Lieve Joris het advies vooral niet door Oost-Congo te reizen: te gevaarlijk. Maar ze ging wel, om met De hoogvlaktes haar reeks boeken over de kolonie van haar voorouders – haar ‘heeroom’ die naar Congo was getogen om zieltjes te winnen – te voltooien. Joris reist te voet, maar iets beter geëquipeerd dan Butcher: ze heeft een gids en dragers slepen haar Samsonitekoffer de heuvels op en af.

In het boek van Lieve Joris herleeft de idylle die Congo lang geleden geweest moet zijn. Anders dan in haar vorige, meer politieke boek Het uur van de rebellen (2006), is de oorlog daarbij slechts het decor waartegen zich de interculturele ontmoetingen afspelen die iedere Afrikaganger weleens meegemaakt heeft. De gesprekken gaan over geloof en bijgeloof, over bruidsschatten en het aantal kinderen dat de auteur al gebaard heeft – geen, moet ze tot grote teleurstelling van de dorpelingen erkennen.

Joris laat uitgebreid handelaars, toevallige passanten, geestelijken en gelukzoekers aan het woord, maar ondanks de scherpe en vaak fijn geformuleerde waarnemingen is het soms onduidelijk welke kant ze precies op wil. Analyse ontbreekt. De hoogvlaktes leest als het trage einde van een reis door een wereld waarin de klok is teruggedraaid.