En nu een literaire Obama!

Ondanks veranderingen in de Afro-Amerikaanse gemeenschap zijn in de literatuur slavernij en segregatie stevig verankerd gebleven. Waarom? Hoe lang nog?

Toni Morrison: A Mercy. Knopf, 176 blz. € 25,– Vertaald door Nicolette Hoekmeijer als Een daad van barmhartigheid, De Bezige Bij, 224 blz. €18,90

Eerder dit jaar stuurde Toni Morrison, Nobelprijswinnares en auteur van romans als Beloved en Jazz, een brief aan Barack Obama. ‘De mogelijkheid op nationale evolutie, revolutie zelfs’, schreef ze, ‘zal zich niet snel weer voordoen. Ik ben ervan overtuigd dat u de persoon bent dit moment te grijpen. U bent een man voor deze tijd. Ik wens u en ons veel succes.’

Het was een opmerkelijk statement van een schrijfster die van een andere generatie is dan Obama, en die veel nauwer dan de president elect verweven is met de burgerrechtenstrijd van de Afro-Amerikaanse gemeenschap.

Het is – na de verkiezingszege – nauwelijks meer voor te stellen hoe suspect Obama lange tijd voor juist Morrisons generatie was. Een groot aantal oudere congresleden en regionale leiders schaarde zich tijdens de voorverkiezingen achter Hillary Clinton, en dominee Jesse Jackson – ja, die van de tranen – bood aan de presidentskandidaat te castreren, nadat die zwarte vaders had aangesproken op hun nalatigheid. Obama was geen slavenzoon, maar de zoon van een blanke moeder en een Keniase vader die naar Amerika was gekomen om te studeren. Hij had nooit meegelopen in protestmarsen, geen klappen gehad of de binnenkant van een politiecel gezien. ‘Revolutionairen willen de revolutie maar niet de gevolgen,’ zo typeerde Morrison in een BBC-interview de houding van haar generatiegenoten.

De ijkpunten voor haar generatie zijn altijd slavernij, lynchcultuur en segregatie gebleven, in weerwil van de veranderingen die zich sluipenderwijs in de VS hebben afgetekend. Deze ijkpunten kleurden de politieke en literaire tradities, getuige ook Morrisons eigen bekroonde roman Beloved, over een voormalige slavin die haar kind doodt om het voor onvrijheid te behoeden. A Mercy, Morrisons eerste roman in vijf jaar, breekt niet zozeer met de traditie, maar nuanceert deze op een wijze die niet los kan worden gezien van recente ontwikkelingen.

Het is het jaar 1690, ruim voor de stichting van de Amerikaanse republiek. Een Portugese plantagehouder vereffent zijn schuld aan de Engels-Nederlandse landeigenaar Jakob Vaark door hem een zwart meisje cadeau te doen. Vaark heeft morele bezwaren tegen slavenhandel, maar begrijpt dat de jonge Florens beter af is bij hem. Bovendien kan haar aanwezigheid zijn vrouw Rebekka helpen het verlies van een dochter te boven te komen.

Zo maken we kennis met de mannen en (vooral) de vrouwen rond Vaark. Rebekka is door haar ouders de oceaan over geschopt en ten huwelijk aangeboden door middel van een verkoopadvertentie. Er is Lina, die een uitbraak van pokken overleefde in haar indianendorp, en de ankerloze kapiteinsdochter Sorrow, die opgroeide op een spookschip. Er zijn twee blanke arbeiders, die een schuld aan het ‘wegwerken’ zijn – alleen om te ontdekken dat bij elke dronken misstap de schuld is toegenomen. En als lichtend baken: een vrijgeboren zwarte smid, die niet alleen een fabuleus hek smeedt voor Vaarks nieuwe woning, maar die ook het vermogen heeft pokken te genezen. Vaark overlijdt, nog voor hij zijn grandioze huis kan betrekken. Hij laat een huishouden van vrouwen achter. Wanneer Rebekka een dodelijke ziekte krijgt, is het Florens’ taak de smid op te sporen. Op hallucinante verteltoon neemt het meisje ons mee, de nauwelijks ontgonnen koloniën in.

Genade kan vreemde vormen aannemen. Zoals in Beloved een kind bevrijd wordt door het te doden, zo heeft Florens’ moeder haar een beter leven geschonken door te arrangeren dat ze werd weggegeven. Morrison belicht het perspectief van de onderdrukte vrouwen, diept de betekenis van vrijheid en onvrijheid uit, en de gevolgen die onvrijheid heeft voor identiteit. Een krachtig statement maakt ze met de kalverliefde van Florens voor de vrije smid. De grootste tragiek van de slavernij is dat mensen zichzelf zijn gaan zien als slaven, als bezit. Dat is waarom de smid Florens niet serieus kan nemen – ze is geen volledig mens, ook niet voor hem. Onvrijheid, suggereert Morrison, vermoordt de ziel. Het vertaalt zich in een eenzaam en

Vervolg op pagina 2

Het wachten is op de Obama van de letteren

Vervolg van pagina 1

hunkerend hart. Iets dat is weggenomen moet worden opgevuld.

Oude koek, kortom? Niet helemaal. Morrisons nuancering is deze: de idee dat slavernij gelijk staat aan zwart zijn is onjuist. Alle mensen waren handelswaar, en dát is de tragische waarheid van de Amerikaanse wordingsgeschiedenis. Racisme is pas later een instrument geworden om subtiel en minder subtiel onderdrukte groepen te scheiden in armen en slaven. Eenzijdig hameren op zwart slachtofferschap is een obstakel bij het overbruggen van verschillen. Het zijn punten die Obama veel directer aanstipte in zijn nu al legendarische rassentoespraak in Philadelphia, waarin hij aangaf ook de angsten en frustraties van de blanke onderklasse te begrijpen, om in één moeite door een verbindende factor aan te reiken – vrijwel iedere Amerikaan heeft immigrantenbloed. Morrison ondergraaft weliswaar niet even radicaal als Obama verlammende (witte én zwarte) aannames. Maar ze beweegt, meer dan haar generatiegenoten lange tijd van zins leken.

Bij mij riep A Mercy een vraag op. Vertaalt de politieke generatiekloof binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap zich ook naar een literaire generatiekloof? Er is de afgelopen decennia langzaam maar zeker het nodige veranderd in Amerika. Ja, de getto’s staan er nog, en ja, de gevangenissen zitten vol. Maar tegelijkertijd groeide de Afro-Amerikaanse middenklasse sterk. Bestuurlijke invloed nam toe dankzij jonge bestuurders die erin slaagden electorale coalities te bewerkstelligen voorbij raciale grenzen. Burgemeesters als Cory Booker (Newark) en Michael Nutter (Philadelphia) hebben, net als Obama, de etnocentrische verhaallijn van Jesse Jackson en Al Sharpton vaarwel gezegd. De zwarte gemeenschap is voor de jonge garde geen monolithisch blok, en evenmin een hok waarin je je gevangen moet laten zetten, door anderen of door jezelf. De dagelijkse realiteit van besturen vraagt een bredere visie. Nutter: ‘Ik heb tenminste nog geen witte of zwarte manier ontdekt om een kuil in het asfalt te dichten.’

In de literatuur staat de oude verhaallijn steviger overeind. Dat komt in de eerste plaats doordat de elite van het Afro-Amerikaanse schrijversgilde bejaard is. Morrison is 77, Maya Angelou is 80, Alice Walker is 64.

James McBride, ook al in de vijftig, is het buitenbeentje. Hij werd geboren uit een huwelijk tussen een Afro-Amerikaan en een joodse immigrante uit Polen, al werd hij – net als Obama – als zwart gecategoriseerd. McBride schrijft kritisch over de zwarte gemeenschap. Bijvoorbeeld in zijn recente roman Song Yet Sung, waarin slavin Liz Spocott visioenen heeft over een toekomst waarin ‘negers rondrijden in zelf bewegende koetsen op glimmende rubberen wielen [...], en dikke zwarte kinderen raar ruikende sigaren roken en rondlopen met pistolen in hun achterzak en moord in hun ogen [...], en gekleurde mannen zich kleden in uitzinnige kostuums, zoals kinderen – elk beetje trots, fatsoen en moraliteit uit ze gewrongen.’ Liz is blij niet in die toekomst geboren te zijn. ‘Daarin zit geen enkele vrijheid.’

Zo’n alinea druist in tegen het dwingende advies dat burgerrechtenactivist W.E. DuBois begin vorige eeuw op schrift stelde. ‘Alles wat er over ons gezegd wordt, moet verhalen over het beste, hoogste, nobelste in ons. We staan erop dat Kunst en Propaganda één worden.’ Waarachtige literatuur was niet het eerste streven, maar vooruitgang. Hoewel velen het oneens waren met DuBois, oprichter van de National Association for the Advancement of Colored People, gaf dit standpunt de Afro-Amerikaanse literatuur wel degelijk richting, zelfs tot diep in de 20ste eeuw, toen Alice Walker stevige kritiek uit eigen kring kreeg omdat ze zwarte mannen in The Color Purple te negatief zou hebben geportretteerd. De vuile was hang je niet buiten; daar is de zaak niet mee geholpen. Voor sommige critici heeft de Afro-Amerikaanse literatuur zo bijgedragen aan het ‘balkaniseren’ van het Amerikaanse literaire landschap.

In de schaduw van de giganten hebben zich de nodige jonge auteurs aangediend. Maar wie denkt dat ZZ Packer of Edwidge Danticat nieuwe wegen bewandelen, vergist zich: ook zij passen in de traditie. Het dramatisch potentieel van slavernij, rassenongelijkheid en burgerrechtenstrijd – in verleden of heden gesitueerd – blijft nu eenmaal aantrekkelijk en het is het soort verhaal waarmee ze zelf groot zijn geworden. Dankzij familie en dankzij werk van Morrison en Walker; van Richard Wright, Gwendolyn Brooks, Zora Neale Hurston en Ralph Ellison, wiens klassieke The Invisible Man laat zien dat zwart zijn letterlijk onzichtbaarheid kan betekenen. En dan is er nog Oprah Winfrey die met haar invloedrijke boekenclub blijk geeft van een duidelijke voorkeur voor ‘traditionele’ Afrikaans-Amerikaanse literatuur.

De interessantste exponent van de nieuwe lichting schrijvers is evenwel Colson Whitehead. Deze in 1969 geboren auteur, lange tijd muziekrecensent voor de Village Voice, debuteerde in 1998 met The Intuitionist, een eigenzinnige allegorie over racisme en assimilatie. Whitehead verhaalt over een gilde van liftinspecteurs in een stad die op New York lijkt. Lila Mae is de eerste donkere vrouw die de rangen van dit gezelschap mag komen versterken. Zij behoort tot de school van de intuïtionisten – mensen die simpelweg voelen wat er mis is met een lift. Empiristen controleren daarentegen elke bout en moer voor ze tot de juiste diagnose komen. Lila Mae is geen gemakkelijk mens, maar ze heeft nóóit ongelijk. Niet wanneer het om liften gaat. Toch stort een door haar goedgekeurde lift in de diepte. Terwijl er gepoogd wordt haar uit het gilde te werken, probeert Lila Mae erachter te komen wat de daadwerkelijke oorzaak van het ongeluk is. Mág ze als donkere vrouw niet tot deze gemeenschap behoren?

Whitehead neemt het klassieke, ‘zwarte’ thema van buitensluiting en geeft er, met onderkoelde woede, een nieuwe draai aan. Zijn invloeden zijn onbetwist ‘wit’: Kafka, Philip K. Dick, Borges, de cut-uptechnieken van John Dos Passos en John Brunner. Zijn literaire stem is fris en nieuw, zoals bevestigd werd in John Henry Days, waarin het verhaal van de zwarte volksheld John Henry gebruikt wordt om te laten zien hoe mythes uit het verleden het heden vormgeven. (John Henry was een spoorwegarbeider die stierf na een uithoudingsproef tegen een mechanische boor.) Niettemin: van postraciale literatuur kun je ook bij Whitehead niet echt spreken.

Met de verkiezing van Obama is de rassenproblematiek niet opgelost. Toch is sprake van een niet te onderschatten paradigmaverschuiving. Martin Luther King had met Gwendolyn Brooks, Ralph Ellison en Toni Morrison zijn schrijvende tegenhangers. Het wachten is op de Obama van de letteren.