De mooiste en lichtvoetigste

De Britse biograaf Michael Holroyd schreef een familiegroepsportret van twee beroemde acteurs en hun nakroost.

Michael Holroyd: A Strange Eventful History. The Dramatic Lives of Ellen Terry, Henry Irving and their Remarkable Families. Chatto & Windus, 620 blz., € 37,–

Michael Holroyds vorige grote biografie, in drie delen verschenen van 1988 tot 1991, was bij voorbaat een bekend boek: het had veel voorpubliciteit gehad, en iedereen wist dat het ging over George Bernard Shaw. Deze keer, zeventien jaar later, is de auteur beter bekend bij de lezers dan de twee hoofdpersonen. Of zou dat niet gelden voor Ellen Terry (1847-1928), die zo’n mooie, begaafde en bij tijden briljante actrice was dat haar naam nog steeds door toneelliefhebbers in ere gehouden wordt? Al staat zij als eerste in de titel, zij heeft niet de centrale rol in het verhaal. De hoofdpersoon is Henry Irving, de dominante Shakespearevertolker in het laatste kwartaal van de 19de eeuw en tot zijn dood in 1905 toe.

Holroyds boek kan ook niet zomaar een biografie van Irving worden genoemd. Na Irvings dood gaat het nog 200 pagina’s verder, en niet alleen over Ellen Terry, maar ook over hun respectieve kinderen en schoonkinderen, wat er wel een stuk of twintig zijn. Die vormen de remarkable families, en hun verhaal loopt pas af met de dood van de zoon van Terry (niet van Irving). Die zoon was Gordon Craig, de in heel Europa geëerde denker en schrijver en adviseur over toneelzaken, die zijn laatste jaren in Italië doorbracht en stief in 1966.

Het is dus een ongewone vorm die Holroyds werk heeft aangenomen: een familiegroepsbiografie van ongeveer honderd jaar, die een ongewoon soort complexe herinnering nalaat. Het boek is te vergelijken met een veelkoppige familiefoto, waarop de oudsten op stoelen vooraan zitten en de jongeren in rijen achter ze staan. Op die stoelen zouden dan Irving en Ellen Terry zitten. Al hebben zij niet samen kinderen voortgebracht, zij hebben in verschillende relaties hun bijdragen aan het gezelschap geleverd, en later vertrouwelijk en soms intiem met elkaar geleefd.

Shakespeare

Irving neemt in de eerste helft van het boek de voornaamste aandacht in beslag, terwijl hij zijn carrière opbouwt en doorzet in het Lyceum Theatre, dat er nog altijd staat terzijde van de Strand. Waarschijnlijk zouden zijn vertolkingen van Hamlet en Shylock en Macbeth en Richard III, als wij ze zouden kunnen terugzien, te heftig en te gezwollen aandoen om Shakespeare naar onze smaak tot zijn recht te laten komen. Daarom zijn zij nog niet de aandacht onwaardig: zij voeren de verbeelding mee naar de wereld van 1890, toen in het Lyceum Theatre 1700 toeschouwers per avond de toneelervaring van hun leven hadden. De vrijheid waarmee Irving de teksten inkortte om zijn rol de grootste ruimte te geven zal hen ook niet dwars hebben gezeten, in een tijd dat er weinig dramatisch werk geschreven werd dat aandacht voor zichzelf opeiste. Niet dat Irving te eenkennig was om zijn publiek ook andere auteurs aan te bieden. Goethe, Tennyson, Ibsen, Sardou en Shaw zijn met wisselend succes in zijn theater opgevoerd, waarna hij telkens weer terugkwam op Shakespeare.

Hij werd er niet alleen in Engeland beroemd mee. Van 1883 af heeft hij een heel aantal tournees door Amerika gemaakt, die tussen de drie en zes maanden duurden en hem naar al de grootste steden voerden. De organisatie van die reizen leidde hij zelf. Al had hij mensen in dienst (zijn voornaamste helper was Bram Stoker, de auteur van Dracula), hij was behalve regisseur, dramaturg en hoofdrolspeler ook impresario, theaterdirecteur en tourorganisator. Er is ook niets te zien van overheidssteun en sponsors. De laatste Amerikaanse tour, na 1900, had hij niet hoeven te maken als het geld niet hard nodig was geweest voor het gezelschap en het onderhoud van zijn theater.

Wie over Irvings werk leest kan best begrijpen dat hij nergens anders tijd voor had. Het is jammer dat wij ons niet kunnen voorstellen hoe hij klonk in een gesprek, met zijn vrouwen en kinderen en met zijn acteurs; en ook niet of hij ooit iets schreef, al was het maar een programmatekst. Wij leren hem kennen uit zijn werkzaamheid, en die is zo indrukwekkend dat de aandacht er niet gauw van afdwaalt.

Welluidend

Wie er toch niet genoeg aan heeft wordt dan nog met meer afwisseling beziggehouden door de verhalen over de familie in de 200 pagina’s na de dood van Irving. Bij zijn leven kwamen de meesten maar af en toe in het zicht op het tweede en derde plan. De voornaamste uitzondering was Ellen Terry, die een tijd lang een intense relatie met hem heeft gehad zonder ooit zijn vaste minnares te worden. Op een afstand van honderd jaar lijkt het niet helemaal terecht dat haar naam als eerste in de titel staat, want Irving bepaalde zolang hij leefde de loop van deze toneelgeschiedenis. De toeschouwers van 1900 zagen de verhouding waarschijnlijk niet altijd zo, want Terry was de mooiste, welluidendste en lichtvoetigste actrice van haar tijd, en in sommige van haar rollen, zoals die van Lady Macbeth, vond iedereen haar onvergetelijk. Als persoon in de biografie heeft zij ook veel voor op Irving, die altijd sterk en dominant en bewonderenswaardig bleef; het leven van Ellen Terry was emotioneler, wisselvalliger en onzekerder, tot haar dood in 1928.

In de twintig jaar na 1907 komen dan ook de kinderen en kleinkinderen aan bod, sommigen heel uitvoerig. De voornaamste aandacht gaat uit naar de twee kinderen die Ellen Terry kreeg van haar eerste echtgenoot, Edward Gordon. Er was een dochter Edy die ook in verschillende functies bij het toneel ging werken. En die ging samenwonen in een op den duur lesbische relatie met een vrouw die zich Christopher St. John ging noemen en die de relatie in gevaar bracht toen zij bezeten raakte van Vita Sackville- West, bekend uit het liefdesleven van Virginia Woolf. Een paar jaar na Edy had Ellen Terry een zoon gekregen, die als volwassene ook de achternaam Craig aannam. Hij was de theatervernieuwer die ook stof voor biografen heeft nagelaten door vele malen nieuwe betrekkingen te beginnen met vrouwen die onveranderlijk verrukt van hem waren en die na hoogstens een jaar zonder aandacht door hem achtergelaten werden.

Edward, van dichtbij bekend als Ted, gedroeg zich laakbaar en zijn politieke ideeën in de jaren veertig deugden niet, zonder dat zijn aanzien als theatervernieuwer erdoor geschaad werd. Holroyds laatste tweehonderd pagina’s, met Edy en hem en vele andere kinderen, worden er in dit uitgebreide groepsportret met zijn supplement vol nabestaanden heel onderhoudend door.