De man met talloos vele - dus zonder - eigenschappen

Karel Capek: Een doodgewoon leven. Vertaald uit het Tsjechisch door Irma Pieper. Wereldbibliotheek, 192 blz. € 16,50

De verteller van Een doodgewoon leven van Karel Capek is een gepensioneerde spoorwegbeambte die een hekel aan losse eindjes heeft. Wanneer hij voelt dat zijn einde nabij is, wil hij zijn memoires schrijven om het dossier van zijn leven te kunnen sluiten. Niet dat hij ooit iets opmerkelijks heeft meegemaakt, maar daarover is deze overdreven ordentelijke ambtenaar nu juist zeer tevreden: hij houdt van normaliteit en regelmaat, alles wat ongewoon is aan een leven ‘is slechts geknars in het raderwerk’.

Des te verrassender dat deze droogstoppel subliem blijkt te kunnen schrijven. Met veel gevoel voor detail roept hij zijn plattelandsjeugd op, de gelukkige uren die hij heeft doorgebracht in de werkplaats van zijn vader die meubelmaker was, het gebonk van planken, het geritsel van schaafkrullen, de geur van hout, lijm en vernis. Zijn ouders zijn eerbaar: zijn vader een sterke, noeste werker, zijn moeder zorgzaam en gevoelig. Minder betamelijk is het rauwe werkvolk dat in de buurt met pikhouwelen doende is een spoorlijn aan te leggen. Een van de arbeiders heeft een knap, sibillijns dochtertje, donker als een zigeunerinnetje, waarmee de zoon van de meubelmaker een zonderlinge, intieme vriendschap beleeft, totdat ze spoorloos verdwijnt.

Het thema van de spoorwegen is zo al vroeg in zijn leven gekomen; en dat de jongen later, na een weinig verheffende episode als boemelstudent, beambte op een vredig, onberispelijk stationnetje wordt, is een mooi voorbeeld van de verrukkelijke samenhang, de gezegende orde van het leven. Hij trouwt de kreukvrije dochter van de goedige stationschef en krijgt dankzij zijn voorbeeldig functioneren spoedig de leiding over een eigen station. Zijn verknochtheid aan het spoorwezen heeft weliswaar als gevolg dat er zich een kleine verwijdering met zijn echtgenote voordoet, maar ja, ‘het is niet anders, uiteindelijk ben je als man het meest thuis in je werk’. Het is een welbesteed en goddank vooral doodgewoon leven, en nu loopt het ten einde.

Maar dan begint in het hoofd van de memoiresschrijver een hinderlijke tegenstem te spreken, die zijn karakter in twijfel trekt. Plotseling ontdekt hij verborgen ‘ikken’ die hij altijd heeft ontkend – behalve een doodgewoon man die met eergevoel zijn werk deed, was hij ook een ontevreden arrivist, een hypochonder, een smachtende romanticus, gemankeerd dichter, in de oorlog bijna een verzetsheld, en diep begraven in hem huisde van jongsaf een ijzingwekkend creatuur met perverse verlangens.

Ook de vader, moeder en echtgenote ontkomen niet aan de innerlijke criticus: misschien waren hun motieven wel minder respectabel dan gedacht. Op de rand van de dood is van dat ordelijke, alledaagse leven niets meer over. ‘Laten we zeggen dat de mens zoiets als een mensenmenigte is. In die menigte zwerven de doodgewone man, de hypochonder, de held, degene met de ellebogen en god weet wie nog meer rond; het is een bonte schaar, die echter een gezamenlijke weg gaat. Er heeft altijd een van hen de leiding en die gaat dan een eind voorop [...] vervolgens dringt er weer iemand anders uit de massa naar voren [...]’ Het inzicht dat er, als zijn leven anders verlopen was, gemakkelijk nog heel andere personen in hem hadden kunnen opstaan – hij had een bedelaar kunnen worden, of een misdadiger – leidt tot begrip voor anderen, tot solidariteit.

Fijn dat deze roman van de ooit vermaarde Tsjechische schrijver Karel Capek (1890-1938) is afgestoft. De vlotte vertelling wordt weliswaar afgekapt door de psychologische analyse, maar een heterogeen boek past bij het thema van een gefragmenteerd ik. Dankzij Capeks uitgeslapen stijl is het een fascinerend verhaal over een man met talloos vele – dus eigenlijk zónder – eigenschappen. Met recht een doodgewoon leven.