De levenslust van een schaakstuk

Michaël Borremans: Whistling a Happy Tune. Ludion, 198 blz. € 49,95

Michael Borremans (1963) heeft jarenlang onopgemerkt etsen en foto’s gemaakt. Er werd nauwelijks naar zijn werk omgekeken. Daar kwam verandering in toen hij ging tekenen en schilderen, op de Art Basel werd getoond en bij de vooraanstaande galerie Zeno X in Antwerpen terechtkwam. Men weet inmiddels goed wie hij is: een Gentenaar die op ‘tweedehands’ papier en karton, desnoods te midden van vlekken, vegen en notities, minitaferelen construeert van mensen, dingen en situaties die in beeld en kleur de benauwende sfeer van de jaren veertig en vijftig ademen. Je zou die sfeer ook kunnen thuisbrengen in de voormalige DDR, waar westerse ogen overal wel een grauwsluier ontwaarden.

In een secuur, tweetalig boek met de ironische titel Whistling a Happy Tune, en met zo'n 100 reproducties, zijn Borremans’ tekeningen van de laatste acht jaar samengebracht, en aangevuld met curieuze tekstfragmenten van onder anderen Hugo Claus, Per Olov Enquist, Spinoza, Stefan Zweig en Witold Gombrowicz. Dat boek is een goed idee, want Borremans werkt niet op museale vierkante meters, maar weet op pocketboekformaat in lichte, onbestemde verftinten niettemin een gedetailleerde, wrange wereld op te roepen. Dat hij zijn personages wel eens aan foto’s ontleent, is een feit dat wordt ondergesneeuwd door een surrealistische of absurdistische mise-en-scène. Daaronder valt vooral het jongleren met proporties en verhoudingen. Borremans, die zichzelf een ‘donkerzwart romanticus’ noemt, gaat namelijk op papier met de mensheid om als een modelbouwer met plastic bergjes en metalen treintjes. Zijn personages, vaak getekend zonder onderlijf, stralen de levenslust van een schaakstuk uit. Ze laten in maquettes met zich sollen door kleurloze kantoorreuzen, mannen die net als generaals graag met mensen omgaan als werktuigen of decorstukken. De onderliggende partij biedt bij Borremans nooit verzet, men ondergaat dat manipuleren als een natuurverschijnsel.

Tot hier toe zou je nog kunnen denken aan een tekenkunstig spelletje stratego, maar daarvoor suggereert Borremans te veel onheil. Het massieve deurloze huis met de ontelbare rode raampjes, dat vaker terugkeert op deze tekeningen, zou bijvoorbeeld een toplocatie kunnen zijn voor de Albanese schrijver Ismail Kadare die er zijn lugubere fantasieën in kan botvieren over macht en onmacht, verraad en verdwijning.

Echt akelig wordt het waar Borremans lijven en gezichten verfomfaait door kogelgaten of lipschijven. Die tekeningen roepen de medische experimenten van nazi-arts Mengele in herinnering, schrijft Michaël Amy, die in zijn doorwrochte inleiding vaker nazi-Duitsland als voedingsbodem van Borremans’ tekeningen noemt. Dat zou kunnen, maar deze beelden zijn daar eigenlijk te zachtzinnig voor. Ze gaan wel over de underdog, geslachtofferd door medemensen, rituelen of tradities, maar de terloopse manier waarop die personages zich met hun wonden en misvormingen presenteren – inzachte kleuren, als keramische bustes of filmische close-ups – doet afbreuk aan die Mengele- associatie, want die laat geen ruimte voor speelse illusies.

Zo verontrustend als zijn tekeningen zijn, zo ongrijpbaar is ook Borremans zelf. Niet dat hij dat laatste ambieert. In interviews is hij helder en bescheiden. En toch houdt het vage vermoeden stand dat hij misschien ooit zelf in de kelders van de geheime dienst van de DDR stiekem zijn angsten van zich af heeft zitten tekenen.