Dat jonge ding haalt mensen uit elkaar

Joke van Leeuwen: Alles nieuw. Querido, 156 blz. € 18,95

‘Schokkende beelden onthoud je het beste’. Dat laat Joke van Leeuwen een van de hoofdpersonen denken in Alles nieuw, haar tweede roman (met illustraties) voor volwassenen. Lara, pas afgestudeerd beeldend kunstenares, wil beroemd worden. Ze is van plan om door te breken op een groepstentoonstelling voor jonge kunstenaars met opzienbarende projecten. Zij ‘doet iets’ met beelden, die ze toevallig tegenkomt: een foto van een soldaat met een verminkt gezicht uit WO I, of zwart-wit tekeningen van een suïcidale jongeman, een babyfoto of het portret van een 30-jarige vrouw. Met behulp van scanner, computer en tekenprogramma maakt ze ‘alles nieuw’: de soldaat wordt weer toonbaar gemaakt, de afgrondelijke tekeningen krijgen een hoopvollere aanblik, terwijl de baby en de vrouw juist oude, gerimpelde gezichten krijgen. Lara voelt zich, als kunstenares, de baas over het hier en nu, dat zij naar hartelust meent te kunnen manipuleren.

Alles nieuw speelt zich niet toevallig af in 1999, vlak voor een nieuw tijdperk. Er zijn toespelingen op de wereldwijd gevreesde ‘millenniumbug’, op de komst van de euro en en er is regelmatig sprake van een ondernemend echtpaar dat in een ver buitenland ‘wijdbeens op de tijdgrens’ wil gaan staan in de nacht van 31 december op 1 januari. Maar overigens doet Alles nieuw eerder huiselijk aan dan universeel.

Net als in Vrije vormen (2002), haar vorige roman, draait het ook hier om een huisbazin en een huurster, die zich niet echt in elkaar kunnen verplaatsen. Lara weet niet goed wat ze aanmoet met de oude vrouw met haar losse vel, die niets snapt van haar kunstwerken. Ada kijkt op haar beurt wat schouderophalend naar ‘dat jonge ding’ en haar onnozele bezigheden. Reinier, de bejaarde vriend van Ada, die probeert mee te gaan met zijn tijd, laat zich door het jonge ding een keer uitleggen hoe zij plaatjes manipuleert op de computer. ‘Hij bedankte haar’, staat er dan droogjes, ‘dat ze hem had laten zien hoe je een mens uit elkaar kunt halen en verslepen.’

Lara en Ada komen in afwisselende hoofdstukken aan bod. Terwijl de een zich hoopvol instelt op een mooie toekomst, blikt de ander vooral terug: op een schrale jeugd met ‘een moeder die een leven lang bezig geweest was zich te handhaven’, op een schraal huwelijk met een ongelukkige man en op een schraal moederschap met een dochter die op haar 30ste werd opgeslokt door een religieuze sekte. Toch lijkt er voor Ada, met de komst van de sympathieke Reinier, toch nog enig levensgeluk weggelegd. Van Leeuwen beschrijft hun broze vriendschap in behoedzame woorden, al wordt het taboe van de aftakeling niet omzeild.

Ondanks het leeftijdsverschil lijken de dames toch wel op elkaar. Allebei zijn het nadenkende types die graag hun gedachten laten gaan over dagelijkse dingen. Over onvindbare wc-spoelknoppen, kleine vrouwen die grote kinderen voortbrengen, over ontvangstruimtes waarin niemand wordt ontvangen. Ook hebben beiden een onnadrukkelijke, soms wat mompelige manier van formuleren, net als Van Leeuwen zelf. Haar lichte, altijd wat peinzende bewoordingen doen denken aan die van K. Schippers – niet toevallig ook iemand die graag werkt met taal en beeld.

Er komen in de roman heel wat schokkende zaken ter sprake: een overleden baby, een verongelukte zoon van twintig, een zelfmoord, een verloren dochter. Maar door de ingehouden en onderkoelde verslaglegging krijgen de emoties eigenlijk geen kans. Ook de beelden, de plaatjes bij het verhaal, zijn verstoken van iedere dramatiek en dus verre van schokkend. De vraag lijkt mij dan ook of wij ze wel zullen onthouden. Zelfs de man met het verminkte gezicht ziet er, met zijn ene oog, nogal olijk uit, alsof hij het vooral een goeie grap vindt, dat rare gat in zijn wang. Alsof hij al voorvoelde dat Joke van Leeuwen hem ooit wel op zou lappen, zodat alles weer nieuw zou worden.