'Alleen wie zichzelf herhaalt, verkoopt zijn ziel'

Tweehonderd jaar geleden verscheen het eerste deel van ‘Faust’, Goethes tragedie over de mythische alchemist die in ruil voor macht een pact met de Duivel sluit.

De Faust-mythe beïnvloedde vele schrijvers, onder wie Harry Mulisch, die volgende week vrijdag eregast is op het aan Faust gewijde Wintertuin-festival.

Er was eens een Faust, Johannes Faust. Of misschien Georg Faust, de geleerden zijn het er niet over eens. Hij leefde van circa 1480 tot 1540 en liet een dozijn directe getuigenissen na van zijn leven als alchemist en wonderdokter. Sterke verhalen, die na zijn dood verder werden aangedikt en van de doctor uit Württemberg een mythische figuur maakten. Faust werd het prototype van de man die zijn ziel aan de Duivel verkocht – in ruil voor 24 jaar ongebreidelde kennis, macht en seks – en die daarna door zijn partner in crime Mefistofeles naar de hel werd gesleept. Een figuur die een inspiratiebron vormde voor kunstenaars van Berlioz en Delacroix tot F.W. Murnau en Randy Newman, en niet te vergeten voor schrijvers uit alle Europese culturen.

Een van die schrijvers is Harry Mulisch, die zichzelf vaak beschreven heeft als een alchemist die goud uit stof maakt, en die in De procedure een gezonde belangstelling aan de dag legt voor (bio)chemische experimenten en de joodse kabbala. De met de Librisprijs bekroonde roman uit 1998 is bepaald niet de enige waarin Mulisch varieert op zijn favoriete onderwerp: de mens die krachten ontketent die hij niet kan beheersen. Ook zijn magnum opus, De ontdekking van de hemel (1992) wordt geregeerd door dit typisch faustiaanse thema. Zelfs de structuur van de roman, met een ‘proloog in de hemel’, is geïnspireerd door de beroemdste literaire verwerking van de Faust-mythe, de toneelstukken Faust I en Faust II van Johann Wolfgang von Goethe.

Geen wonder, want Goethes Faust is Mulisch met de paplepel ingegoten. Vrij letterlijk, zo vertelt de 81-jarige schrijver in zijn Amsterdamse studeerkamer. Uit het Goethe- gedeelte van zijn handbibliotheek – tientallen boeken, waaronder zeven delen ‘Goethe van dag tot dag’ – haalt hij een schitterende Faust-uitgave uit 1924, voorafgegaan door een rijk geïllustreerde inleiding van de kunsthistoricus Max von Boehn. Het is het boek dat vanaf 1932 als ‘Hundertjahrs Ausgabe’ werd herdrukt door de nazi’s en waarvan verschillende exemplaren pronkten in de bibliotheken van Adolf Hitler. Hoge kwaliteit papier, gotische typografie in zwart en rood, gaaf gebonden. „Mijn vaders exemplaar,” zegt Mulisch terwijl hij liefkozend met zijn hand over de bladzijden strijkt. „Hij kende het uit zijn hoofd, en ieder jaar op Oudejaarsavond, wanneer hij wat gedronken had en we samen met onze huishoudster, Frieda, bij de haard zaten, droeg hij het eerste bedrijf voor. Dat gebeurde vanaf mijn achtste, toen mijn ouders waren gescheiden en ik bij mijn vader in Haarlem woonde.”

Mulisch’ vader, geboren in Oostenrijk- Hongarije en na de Eerste Wereldoorlog naar Nederland geëmigreerd, was bezeten van Faust, en droeg iets daarvan over op de jonge Harry. „Ik ken het eerste deel nog steeds uit mijn hoofd,” zegt Mulisch nu, en hij begint in het Duits uit de eerste monoloog van Faust te declameren (‘Da steh’ Ich nun, Ich armer Tor / Und bin so klug als wie zuvor’). Om meteen daarna op te merken dat je door Goethe natuurlijk heel anders gevormd wordt dan door de Bijbel. „Veel mensen van mijn generatie zijn beïnvloed door het Oude en Nieuwe Testament of door de kerk, waartegen ze zich afzetten. Denk aan Hugo Claus, denk aan Jan Wolkers. Ik had Faust, en die haatte ik niet. Integendeel: Goethe beschouwde ik als familie, en het idee dat uit de Faust-stukken spreekt – ik wil alles weten wat er te weten is – dat had ik ook in me.

„Ik wilde nooit schrijver worden maar natuurkundige of chemicus. Dat had ik gemeen met de schrijver van Faust, die ook niets liever wilde dan wetenschapper zijn. Goethe is daarin geslaagd, hij deed chemische experimenten, net als zijn personage, en schreef een roman, Die Wahlverwandtschaften, waarin hij menselijke relaties beschreef als chemische processen. Hij ontwierp zelfs een kleurenleer. In zijn tijd kon dat allemaal nog; mannen als hij wisten zo’n beetje alles wat er te weten viel. Je had toen wereldwijd dertig wetenschappelijke tijdschriften; nu heb je al dertig tijdschriften waarin alleen maar de titels van publicaties over één bepaald onderwerp worden verzameld. Natuurlijk heb ik nog wel een poging gedaan om op een wetenschappelijke manier tegen het leven aan te kijken; het resultaat daarvan, De compositie van de wereld, is misschien niet mijn meest gelezen boek, maar wat had ik te verliezen?”

Mulisch vertelt dat zijn Faustbeeld ‘kleeft aan Goethe’; Faust en Goethe zijn voor hem bijna één figuur geworden. Voor de historische Faust, de reizende doctor uit de tijd van Luther en Dürer, heeft hij nooit veel belangstelling gehad: „Ik interesseerde me meer voor zijn tijdgenoot Paracelsus, over wiens alchemistische experimenten veel bekend is. Het is me nooit duidelijk geworden waar de historische Faust zich de hele dag mee bezighield.” Het dichtst in de buurt van de 16de-eeuwse Faust kwam Mulisch toen hij in Weimar een originele editie van het zogenaamde Faust-volksboek uit 1587 mocht bekijken. Maar dat was een exemplaar dat Goethe nog gebruikt had, en bovendien was in het Volksboek de overambitieuze geleerde al tot een soort sprookjesfiguur gemaakt.

Mulisch: ,,De Faust van Goethe is een mythisch figuur geworden – dat interesseert me veel meer dan wie es eigentlich gewesen is. Ik ben geen Paul Verhoeven die op zoek gaat naar de echte Jezus Christus en dan probeert te bewijzen dat hij niet over het water liep. Jezus is juist interessant omdat hij al door zijn collega’s, de evangelisten, tot een literair personage werd gemaakt. Op dezelfde manier kan het me niet schelen dat God niet bestaat. De theologie en de kerk bestaan wel, en die interesseren me. Daar zitten de verhalen in.”

Vanzelfsprekend is Faust een van Mulisch’ literaire helden. ,,Ik hou erg van de hoofdpersoon van Der Prozess van Kafka, die het klassieke verhaal van Oedipus – koning zoekt een dader en blijkt het zelf te zijn – omkeerde, en een man liet zoeken naar zijn misdaad. De beste personages zijn vaak bekende figuren die door een geniaal schrijver opnieuw zijn uitgevonden: Oedipus, de Thebaanse koning die bij Sofokles een tragische held werd; Hamlet, de Deense prins uit een oude kroniek die dankzij Shakespeare in de literaire klasse A1 terechtkwam; Faust, de alchemist die bij Goethe de archetypische zoeker is geworden. Amateur-schrijvers denken soms: als je maar grote stof hebt, dan kun je een meesterwerk maken. Maar hoe groter de stof, hoe meer moeite je moet doen om die te vernietigen. Het knappe van schrijvers als Goethe is dat ze de grootste stof namen en die wisten te beteugelen.

„In mijn laatste roman Siegfried heb ik iets vergelijkbaars geprobeerd. Ik heb Hitler genomen en geprobeerd hem in een net van fictie te vangen. Net als Faust ken ik Hitler vanaf mijn achtste, via de Duitse radio waar onze Pruisische huishoudster naar luisterde. Na de oorlog zijn er hele bibliotheken over hem volgeschreven, maar een verklaring voor zijn persoonlijkheid en voor zijn wonderbaarlijke opkomst heb ik niet gevonden. Hij is niet te doorgronden. Dus schreef ik Siegfried, waarin ik de hoofdpersoon laat betogen dat Hitler niets was, en dat hij zijn aanhang niet kreeg ofschoon hij niets was, maar omdat hij niets was. Je moet trouwens oppassen met wat je over Hitler schrijft. De laatste zin van Siegfried is ‘Daarna niets meer’, en sinds 2001 heb ik inderdaad niets meer geschreven. Hitler wordt nog steeds onderschat – omdat hij niets is.”

Als ik vraag of Faust ook ‘niets’ is, een ondoorgrondelijk persoon die je alleen in fictie kunt vangen, zegt Mulisch, met een onverstoord gevoel voor paradoxen: ,,Nee, Faust is constant zichzelf; hij is bepaald niet niets. Ik denk wel dat hij in veel opzichten de belichaming is van Duitsland: de precisie waarmee hij te werk gaat, de razernij waarmee hij dingen wil volbrengen, tot de uiterste consequentie wil voeren, het is typisch Duits. Je ziet het terug bij componisten als Wagner en Stockhausen, maar ook in het industrieel ontwerp, van de perfect gemaakte Mercedes tot de gaskamer in Auschwitz.

,,Faust is de mens van de grote greep, niet te vergelijken met de meeste nationale figuren uit andere culturen. Welke literaire figuur typeert Frankrijk? Candide? Cyrano de Bergerac? Maigret? Die zijn allemaal uit ander hout dan Faust gesneden. Spanje heeft Don Quichot, een fantastische figuur, maar geen Faust. En Nederland? Ik heb wel eens betoogd dat het verschil tussen Nederland en Duitsland eeuwenlang dat tussen Uilenspiegel en Faust was. In Nederland heeft alles de neiging om te eindigen in de slappe lach. Soms is dat maar goed ook; terwijl je hier Provo en de anti-rookmagiër had, liepen in Duitsland de terroristen van de RAF rond.

„Je hoeft je er dus niet over te verbazen dat Faust in Nederland eigenlijk niets betekend heeft. Wat wil je ook? De grote schrijvers, en dus ook de nationale literaire figuren, zijn hier van het kleine gebaar: Nescio, die in alle andere literaturen niet meer dan aardig zou zijn geweest, en Elsschot, die in België als een Nederlandse schrijver te boek staat. Nederland versus Duitsland, dat is Kees de jongen tegen Faust, waarmee ook meteen de oorlogsdagen van mei 1940 zijn gekenschetst. Zoals ik al vaker heb gezegd: Nederland is niet een land van schrijvers, maar van schilders. Daarom zal de Nobelprijs voor literatuur hier nooit vallen. Maar we dwalen af.”

Inderdaad, terug naar Goethes Faust. Hoe zeer is Mulisch er in zijn werk door beïnvloed?

Mulisch: ,,Laat ik voorop stellen dat ik niet alles in dit meesterwerk begrijp. Faust II, dat postuum in 1832 verscheen, is natuurlijk van de gekke; en dan moet je je voorstellen dat Goethe het schreef toen hij bijna dood was – wat dat betreft lig ik een ronde achter. Het beste stuk van Faust I vind ik het Walpurgisnacht-gedeelte,waarin Faust en Mefisto de Blocksberg in de Harz beklimmen. De spookachtige visioenen die Goethe beschrijft, bieden de breedste horizon van wat de fantasie vermag, terwijl ze toch verbonden zijn door de vorm. Als collega-schrijver vind ik het fantastisch, maar als je me vraagt: waar slaat het allemaal op… dan is mijn antwoord: gelukkig hoef ik dat niet te weten.

,,Goethes Faust kun je typeren als het drama van het individu. Het is één man tegen de Duivel – en God. Bij De ontdekking van de hemel ben ik op die gedachte gaan variëren. De Renaissance en de Romantiek waren de hoogtijdagen van het individuele drama; de 20ste eeuw is de tijd van het collectieve drama, van de loopgraven en van de Holocaust. Hoe ga je daar als moderne schrijver mee om? Een pact van één man met de Duivel is uit de tijd, en dus heb ik in De ontdekking van de hemel het oude pact van de hele mensheid met God tot inzet gemaakt. Dat God er alles aan doet om van die overeenkomst af te komen, is de leidraad van de roman.”

Er zitten in Goethes Faust, net als in de oude mythe, nogal wat bovennatuurlijke elementen. Ook Mulisch heeft een voorliefde voor magisch-realisme in zijn boeken. Is dat de erfenis van de oude Goethe?

„Ik heb een hekel aan de term magisch-realisme; het doet me denken aan de boeken van Hubert Lampo, die wemelen van de symbolen en Jungiaanse archetypen. Lampo geloofde dat de wereld zo in elkaar zat, ik niet. Het hele verhaal van De ontdekking van de hemel wordt verteld door een engel. Geloof ik dus in engelen? Natuurlijk niet. Als je ergens over wilt schrijven moet je er niet in geloven. Kunst moet de werkelijkheid niet verdubbelen, je moet iets toevoegen, dat is creatief.”

Buiten begint het te schemeren, en in de studeerkamer vraagt het borstbeeld van Goethe, dat in Mulisch’ boekenkast staat, om meer licht. Alvorens het gesprek te beëindigen geeft de oude schrijver antwoord op mijn vraag of hij vindt dat elke schrijver iets van Faust in zich heeft. „Nescio en Voskuil,” schampert hij, ,,zijn dat faustiaanse schrijvers? Faustiaans bergt een element van gekkigheid in zich, en niet iedere schrijver heeft dat benodigde beetje krankzinnigheid. Maar zelfs als je dat wél hebt, dan betekent dat nog niet dat je je ziel aan de Duivel verkoopt. Ik heb dat in elk geval niet gedaan, anders was ik het grote geld wel achternagegaan, in de reclame gaan werken en in een Maserati gaan rijden.

,,Misschien is het ergste voor een schrijver wel als hij zichzelf herhaalt. Ik heb dat altijd geweigerd. Hoe vaak ik na De zaak 40/61 [over het proces tegen de Schreibtischmörder Eichmann] niet gevraagd ben om met een opschrijfblokje af te reizen naar weer een nieuw nazi-proces; of een reportage te schrijven over de kraakbeweging in Amsterdam! In de herhaling zit de verkoop van je ziel. En eerder dan een pact met de Duivel heb ik een pact met God gesloten. In De ontdekking van de hemel eigen ik me de stem van een engel toe, net als in een ander favoriet toneelstuk van me, Lucifer van Joost van den Vondel. En het comfortabele is: God stelt maar één conditie, dat je jezelf niet verloochent.”

Harry Mulisch spreekt samen met de natuurkundige en KNAW-directeur Robbert Dijkgraaf tijdens de opening van het Wintertuin Festival 2008, dat ter gelegenheid van 200 jaar Goethes ‘Faust’ is gewijd aan de Faust-mythe. Vrijdag 21 november, 20 uur. Nijmegen, Stevenskerk, Stevenskerkhof 62. Voor het complete Wintertuinprogramma (met onder meer Christiaan Weijts, Thomas Rosenboom, H.H. ter Balkt, P.F. Thomése en Herman Koch), zie www.wintertuin.nl

Rectificatie / Gerectificeerd

Faust

Anders dan het artikel 200 jaar Goethes Faust (Boeken, 14 november, pagina 9) suggereert, is Het Heksenhuis van Jacqueline Zirkzee (uitg. Conserve) geen jeugdroman maar een roman voor volwassenen over heksenvervolging in de 17de eeuw.