Van Greet Hofmans tot Jomanda

Cees Fasseur toont zich in zijn boek Juliana & Bernhard voortdurend stomverbaasd over de goedgelovigheid waarmee Greet Hofmans door koningin Juliana en haar omgeving werd bejegend.

„Het blijft meer dan vijftig jaar na dato moeilijk te vatten”, schrijft hij, „hoe juist in dit vrij exclusieve Baarnse milieu Greet Hofmans en Kaiser zo’n grote geestelijke invloed konden uitoefenen. Het ging hier niet om Veluwse keuterboertjes en kleinstedelingen in de Biblebelt van Nederland, maar om een maatschappelijk geslaagde elite met een goede educatie, die geacht kon worden op intellectuele, ja misschien zelfs cynische wijze de wereld te bezien.”

Op mijn beurt ben ik weer stomverbaasd over deze stomme verbazing van Fasseur. Misschien komt het doordat ik me, juist gefascineerd door die goedgelovigheid, vaak in paranormale kringen heb begeven. Ettelijke bijeenkomsten met goeroes en andere zwevers van diverse pluimage heb ik bezocht, en steeds weer viel me op hoe goed ook die ‘maatschappelijk geslaagde elite’ – en vooral het vrouwelijke deel ervan – in het publiek vertegenwoordigd was.

Greet Hofmans wordt nogal eens vergeleken met Jomanda – een vergelijking die zo gek nog niet is. Beiden hadden geneeskundige pretenties en trokken daarmee door het hele land een groot publiek.

Ze verzuimden ernstig zieke patiënten naar reguliere artsen te sturen en volhardden in therapieën die op niets uitliepen. Prinses Marijke bleef met haar oogkwaal worstelen, Sylvia Millecam ging dood. Medicijnen waren volgens Hofmans nutteloos, ‘de Grote Heelmeester Christus’ greep zelf wel in. Tot in hun krankjorume taalgebruik toe, inclusief de verwijzingen naar het hogere waarvoor zij als medium zouden fungeren, zijn er overeenkomsten tussen Hofmans en Jomanda.

Net als koningin Juliana zat Sylvia Millecam allerminst in een milieu van ‘Veluwse keuterboertjes’. Ze werkte mee aan een kritisch tv-programma en leefde in een artistieke, mondaine wereld. Toch liep ze blindelings in de fuik van een au fond potsierlijke charlatan.

Hoe wijdverbreid het geloof in dergelijke fenomenen ook in de ‘betere kringen’ is, laat Fasseur in zijn eigen boek zien, zonder het helemaal te beseffen, vrees ik. Op 15 april 1950 werd Hofmans in Assen door een gezelschap medisch deskundigen, psychiaters en theologen ondervraagd over haar drijfveren. De een vond haar ‘een handige tante’, de ander ‘een hysterica’, maar ze kregen geen vat op haar, schrijft Fasseur. Geen wonder, denk ik, als hij even later constateert: „Dat ze wellicht helderziende was, zoals haar patiënten leken aan te nemen, werd niet uitgesloten.”

In dit geleerde gezelschap werd helderziendheid kennelijk beschouwd als een reëel bestaand fenomeen. Volgens mijn woordenboek is helderziendheid ‘de gave hebbend om in magnetische slaap voor anderen onzichtbare dingen te kunnen zien’.

Ik geloof er niet in, maar ik ken veel in andere opzichten uiterst competente mensen die ervan overtuigd zijn dat zoiets bestaat. Ik gun het ze, als ik maar mag volhouden dat het apekool is en dat wij oplichters als Hofmans en Jomanda een gevaarlijk speelveld bieden zolang wij in dergelijke onzin geloven.