Inspectie kapittelt goede scholen heus niet

De Onderwijsinspectie doet precies wat de commissie-Dijsselbloem wil: zich niet te veel bemoeien met de pedagogische aanpak op scholen. Alleen als het fout gaat, stelt Leon Henkens.

Presley Bergen, bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland, beweert dat de Inspectie van het Onderwijs goed functionerende scholen die niet werken volgens het ‘Nieuwe Leren’ als onvoldoende beoordeelt (Opinie & Debat, 8 november).

Hij zegt dat de Inspectie zich niets aantrekt van de commissie-Dijsselbloem. Deze Kamercommissie wil dat de onderwijsinspectie zich terughoudend opstelt ten aanzien van de pedagogische aanpak op scholen.

Dat is echter precies wat de Inspectie doet. Als de resultaten van een school goed zijn en er verder geen aanwijzingen zijn dat iets niet goed gaat, krijgt een school minder toezicht. Dit is het gevolg van een wijziging in het toezicht, die sinds vorig jaar stapsgewijs is ingevoerd.

Ieder jaar maakt de inspectie een risicoanalyse van alle scholen. Als blijkt dat het onderwijs op een school zwak of zeer zwak is, wordt de school onder geïntensiveerd toezicht gesteld. Goed presterende scholen krijgen juist meer vertrouwen en minder toezicht.

Bergen zegt dat scholen pas een voldoende beoordeling krijgen als ze de didactiek hanteren die de Inspectie volgens hem het liefste heeft: het ‘Nieuwe Leren’. Dit is onjuist.

Scholen worden beoordeeld op ongeveer dertig indicatoren. Een van die punten legt Bergen uit als synoniem met het ‘Nieuwe Leren’. Maar dat klopt niet. De indicator luidt: ‘leerlingen hebben verantwoordelijkheid voor de organisatie van hun eigen leerproces die past bij hun ontwikkelingsniveau’. Dat houdt in dat leerlingen gestimuleerd worden om zelfstandig te werken en leren.

Het staat een school vrij om het onderwijs klassikaal in te richten, maar zelfstandigheid van leerlingen is iets waar iedere school ook aandacht aan moet besteden. Deze indicator is belangrijk, maar een school kan er geen onvoldoende beoordeling door krijgen. Andere indicatoren wegen zwaarder.

Bergen schrijft dat basisschool Doornveld in Staphorst, die jarenlang hoge resultaten haalt, door de Inspectie wordt afgerekend op het feit dat ze (modern) klassikaal lesgeeft. Hoe kan dat?

In tegenstelling tot wat Bergen beweert, is deze school juist positief beoordeeld door de Inspectie. Alleen op het onderdeel zelfstandig leren scoorde de school een onvoldoende. Het eindoordeel van de Inspectie luidt: „het onderwijs van deze school is overwegend van voldoende en op belangrijke onderdelen van goede kwaliteit”.

Er is echter verwarring ontstaan over een ander onderzoek. De Inspectie van het Onderwijs houdt namelijk toezicht op de individuele scholen en onderzoekt daarnaast de staat van het onderwijs als geheel.

De school in Staphorst zat dit jaar in de steekproef voor een themaonderzoek naar taal, waarvan de resultaten later dit jaar bekend worden gemaakt. In deze steekproef zitten ook scholen die goed presteren, zoals Doornveld. We onderzoeken wat de verschillen zijn tussen scholen die zwak of juist sterk zijn in taal.

We rekenen het onszelf aan dat er bij de school verwarring is ontstaan over de status en beoordeling van dit onderzoek. Als de suggestie is gewekt, zoals Bergen beschrijft in zijn artikel, dat een inspecteur bij voorbaat al conclusies trekt over onderzoek dat nog moet worden verricht, dan betreuren wij dat zeer. Dat is niet de manier waarop de Inspectie werkt.

Goed presterende scholen zoals die in Staphorst hoeven zich geen zorgen te maken. Zolang de resultaten goed zijn en we geen signalen krijgen die nader onderzoek behoeven, krijgen scholen het vertrouwen van de Inspectie.

Leon Henkens is hoofdinspecteur primair onderwijs bij de Inspectie van het Onderwijs.