'Een verliefde man improviseert anders'

Vanavond treedt de Indiase bansuri-speler Hariprasad Chaurasia op het India Festival op. Indiase muziek is een gebouw, zegt hij. „Musici maken decoraties door te improviseren.”

De bansuri klinkt als een dromerige, sprookjesachtige dwarsfluit. Maar het instrument, een Noord-Indiase bamboefluit, is veel ouder dan de dwarsfluit, die uit de 19de eeuw stamt. „Het is een van de drie instrumenten van de god Krishna, die er vaak mee wordt afgebeeld”, zegt Hariprasad Chaurasia (70), een van de beroemdste hedendaagse bespelers van de bansuri. Chaurasia speelt vanavond en morgenavond tijdens het Indiafestival in het Concertgebouw in Amsterdam.

„Indiase muziek is spiritueel. Muziek maken is voor mij een vorm van gebed. Vaak ontstaat er tussen musici en publiek een geweldige energie tijdens een concert. Die energie heeft wat mij betreft één, drieledig doel: vrede, liefde en harmonie.” Pandit – een eretitel voor Indiase klassieke musici – Hariprasad Chaurasia woont al jaren in Nederland en is artistiek leider van de afdeling Indiase muziek van het conservatorium van Rotterdam.

Hij komt uit Mumbai, maar niet uit een familie van fluitisten. Integendeel: zijn vader was een bekende worstelaar, en hoopte dat zijn zoon dat ook zou worden. Maar Chaurasia werd gegrepen door het geluid van de bansuri en ging fluit studeren. Hij kwam in 1990 naar Nederland op uitnodiging van de toen net opgerichte afdeling wereldmuziek van het conservatorium in Rotterdam. Inmiddels is hij hier net zo thuis als in zijn geboorteland. „Dit is de enige plek buiten India waar je Indiase muziek kan studeren,” zegt hij. Chaurasia heeft hier zelfs Indiase studenten, die voor zijn lessen speciaal uit India overkomen. „In India ben ik voortdurend op reis om concerten te geven. Hier weten ze dat ik ten minste een paar maanden achter elkaar op dezelfde plek ben.”

Voor westerse oren, gewend aan een duidelijk toonsysteem, klinkt Indiase muziek soms ondoorgrondelijk. „Dat komt”, zegt Chaurasia, „doordat Indiase instrumenten niet volgens een wetenschappelijke techniek zijn gemaakt. De bansuri bijvoorbeeld, is gestemd door degene die hem gemaakt heeft. Het is aan de bespeler om juist te intoneren, door speciale blaastechnieken te gebruiken.”

Indiase muziek is als een gebouw, volgens Chaurasia. Het fundament is een onafgebroken klinkende toon, op basis waarvan een raga (toonladder) wordt gekozen. Er is ook een ritme-instrument, de tabla: een houten en een koperen trommel, die allebei met één hand bespeeld worden. „Als de structuur staat, kunnen de musici decoraties en versieringen maken door te improviseren. Dat geldt ook voor het ritmische fundament.” Die improvisaties kunnen soms uren duren – de beroemde raga-nachten. „Of drie minuten, als de raga niet bevalt”, zegt Chaurasia lachend.

Hij ziet overeenkomsten met de jazzmuziek. „Ook daar wordt veel geïmproviseerd.” Het belangrijkst is: het gaat erom wie de muziek maakt. Dezelfde raga kan in handen van verschillende musici totaal anders klinken. Chaurasia: „Een jonge man improviseert bijvoorbeeld over de liefde. Hij wil zich misschien bewijzen. Wij kunnen dezelfde raga spelen, maar doen dat op een heel andere manier. De zijne klinkt bijvoorbeeld virtuoos, terwijl die van mij veel ingetogener en devoter klinkt.”

Van verschillen tussen westerlingen en Indiërs wil Chaurasia niet weten. „Ik geef les aan Nederlanders, fantastische musici, die prachtig bansuri spelen.” Hij wil het gezegd hebben: „Alle mensen, alle muziekliefhebbers, blank of zwart, zijn één familie. Die eenheid, die spiritualiteit, daar gaat om in de muziek.”

Voor Nederlanders is het festival een manier om India te leren kennen. Een goed idee, vindt Chaurasia. „Ik houd van India, maar ook van Nederland. Ik voel mij hier ook thuis. Wie weet kan het ooit andersom, en komt er een Nederlandfestival in India.”

Concerten: 13/11, 20.15 en 14/11, 22.00 uur; Het Concertgebouw, Amsterdam. Inl.: indiafestival.nl