De Rouvoet-paradox

Heeft een minister voor Jeugd & Gezin wel toegevoegde waarde? De Algemene Rekenkamer twijfelde daar al aan. En na de behandeling van de tweede begroting van dit splinternieuwe programmaministerie, gisteren in de Tweede Kamer, is er geen aanleiding voor een enthousiast ‘ja’ op die vraag. Eerder groeit de scepsis. Net als over de wachtlijsten voor de jeugdzorg, waar minister Rouvoet (ChristenUnie) maar geen greep op kan krijgen. Toch is dat het belangrijkste deel van zijn portefeuille. Rouvoet beseft het zelf ook. Terecht belooft hij dat begin 2009 geen kind nog „langer dan negen weken” op zorg zal hoeven wachten.

Bestuurlijk is de jeugdzorg taaie materie. Machtige belangenorganisaties en over geld ruziënde provincies, steden en regio’s beheersen deze overheidstaak. Bovendien kampt jeugdzorg met hardnekkige organisatorische problemen: gebrek aan samenwerking, te veel en stringente protocollen, capaciteitstekorten en een almaar groeiende vraag. Om maar te zwijgen van twijfels over het functioneren van de jeugdzorg na de moord op het meisje Savanna. Dat alles is genoeg om van een institutionele crisis te spreken.

Rouvoet voert intussen gelijktijdig twee grote reorganisaties uit. Verschillende departementen moeten allerlei beleidsthema’s aan zijn ‘programmaministerie’ afstaan. En lokaal drijft hij consultatiebureaus en jeugdzorg samen in nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin. Met een nieuwe taakopdracht in de vorm van een ‘elektronisch kind dossier’. Alsof dat niet voor genoeg opschudding zorgt, trekt hij ook nog door het land als beginselpoliticus, die hij als partijleider ook is.

Als vakminister houdt Rouvoet zich strikt aan zijn motto ‘betrokken maar begrensd’. Hij stelt zich dan geruststellend saai en neutraal op. Maar als CU-leider beschuldigde hij deze week een kleine groep kinderen van ‘losgeslagen seksmoraal’ en ‘verknipte ideeën’. De minister had in een televisiedocumentaire het verschijnsel van ruilseks onder kinderen gezien en ging er eens bekommerd voor zitten. Eerder adviseerde hij vrouwen dat het beter is om vroeger kinderen te krijgen dan later. Elke 15 mei wil hij tot ‘dag van het Gezin’ uitroepen. Huwelijkspartners in crisis krijgen van Rouvoet ‘relatietherapie’ om hun gezinsverband te redden. Het is symboolpolitiek voor de eigen achterban, die de wereld buiten het gezin terra incognita vindt.

Op de vraag die Rouvoet zichzelf gisteren in de Kamer stelde – ‘doen we de goede dingen?’ – past dus een geclausuleerd antwoord. Zolang hij de problemen in de jeugdzorg effectief oplost is het ‘ja’. De jeugdinspectie constateert dat het toezicht op kwetsbare kinderen, die zijn toevertrouwd aan de Staat , tekortschiet. Dát zou hem in beslag moeten nemen. Als vakminister stelt Rouvoet zich levensbeschouwelijk neutraal op en dient hij zich te concentreren op de Jeugdzorg en de veiligheid van de kinderen. Het is jammer dat de moralist Rouvoet hem daarbij voor de voeten loopt, want die gebruikt het ministerschap om particuliere christelijke standpunten over gezin en jeugd uit te venten. Dat wekt irritatie.