Windmolens zijn groot, maar centrales ook

De windmolenlobby zou gemeenten overrulen, met een ontsierd landschap als resultaat. Niets is minder waar, schrijft Jacqueline Cramer. En windenergie kunnen we niet missen.

Pieter Lukkes schetst in zijn artikel over windmolens een parodie op de werkelijkheid (Opiniepagina, 5 november). Zijn stelling luidt dat de Nederlandse bevolking wordt geregeerd door „de windmolenlobby”. Uitspraken als „Cramer breekt lokale oppositie”of „gemeentebestuurders heulen met de windturbinelobby” suggereren dat de besluitvorming over het plaatsen van windturbines niet democratisch plaatsvindt. Niets is minder waar. Het kabinet kiest in een open dialoog met de bevolking voor windenergie én voor een mooi en open landschap.

De strijd tegen klimaatverandering is onze grootste uitdaging. Onze energievoorziening moet dus schoner en gevarieerder. Schoner, omdat er grote milieuschade ontstaat door CO2-uitstoot. Gevarieerder omdat we minder afhankelijk willen zijn van fossiele brandstoffen als olie en gas.

Een jaar geleden heeft het kabinet een ambitieus klimaatprogramma opgesteld, waarin wordt uitgegaan van een forse energiebesparing (2 procent per jaar tot 2020) en een hoge doelstelling voor duurzame energie (20 procent in 2020). De uitwerking van het programma vindt plaats in overleg. Begin dit jaar heb ik met de gemeenten het klimaatakkoord getekend, eind dit jaar wil ik een akkoord hebben bereikt met de provincies.

Binnen drie jaar wil het kabinet dat 4 procent van onze energie afkomstig is uit wind. Dat klinkt als veel molens. Dat is ook zo. Maar ze zijn hard nodig. Elke molen is goed voor 2.000 huishoudens.

Waarom is windenergie zo’n aantrekkelijke optie? Ten eerste leent ons land zich door zijn ligging bij uitstek voor windenergie. Ook raakt wind nooit op en is het schoon: het is CO2-vrij. Voorts is windenergie ook financieel aantrekkelijk in vergelijking met andere duurzame energiebronnen. Om windenergie te stimuleren, ondersteunt het kabinet dit financieel. Hiervoor is overigens minder subsidie nodig dan voor andere vormen van duurzame energie. De verwachting is dat wind op land binnen afzienbare tijd zichzelf kan bedruipen en kan concurreren met olie en gas. Kortom, we zouden dus wel gek zijn als we in Nederland niet kiezen voor wind.

Gaan we Nederland nu helemaal volzetten met die grote windmolens? Passen ‘die lelijke dingen’ in ons vlakke landschap? Mijn antwoord is dat je windmolens eigenlijk nergens goed kunt inpassen, daarvoor zijn ze domweg te groot. Maar datzelfde geldt toch ook voor energiecentrales? Die hebben we ook nodig voor onze energievoorziening.

De echte vraag is of we wat willen doen aan de klimaatverandering en of we willen investeren in duurzame energie. En mijn antwoord is een volmondig ja. Er zijn nu eenmaal geen gemakkelijke antwoorden op een ongemakkelijke waarheid.

Provincies en gemeenten hebben de afgelopen jaren gezocht naar de beste plekken voor windmolens. Die plekken zijn vastgelegd in hun ruimtelijke plannen. Daarbij hebben ze een afweging gemaakt die zo veel mogelijk rekening houdt met de functies wonen, werken en natuur. Het streven is om windparken te concentreren. Dat kan bijvoorbeeld bij bedrijventerreinen, bij industrieterreinen en langs al bestaande infrastructuur als snelwegen. En op plaatsen waar ze nu al staan.

Het aantal locaties dat gemeenten en provincies nu hebben gereserveerd in hun ruimtelijke plannen is onvoldoende om de doelen voor duurzame energie te halen. Er moeten dus meer locaties bijkomen. Hierbij gaan we ervan uit dat we de nieuwe grote windmolens zoveel mogelijk bij elkaar plaatsen. Zo voorkomen we verrommeling van het landschap. Bij het zoeken naar die locaties wordt rekening gehouden met kwetsbare en waardevolle landschappen. Dat is geen gemakkelijke opgave, maar wel een noodzakelijke. Want we hebben windenergie nodig.

Veel Nederlanders zijn voor windenergie. Ook gemeenten en provincies willen meer duurzame energie. Er is een breed draagvlak om wat te doen aan de klimaatverandering. Natuurlijk moeten we daarbij ook naar het landschap kijken. En die afwegingen maken we heel zorgvuldig.

Jacqueline Cramer is minister van Ruimte en Milieu.

Het artikel van P. Lukkes is na te lezen op nrc.nl/opinie