Juliana werd immens onrecht aangedaan

Bernhard treiterde en vernederde Juliana zoveel hij wilde. Omdat de façade van het gezinsideaal moest worden opgehouden, kon ze niet van hem af, meent Elsbeth Etty.

Mijn journalistenhart ging niet veel sneller kloppen van dit boek over Bernhard en Juliana, want erg veel politiek nieuws staat er niet in, al zijn veel geruchten nu bevestigd. Maar mijn biografenhart sloeg regelmatig over van opwinding en mijn feministische hart stond bij tijd en wijle bijkans stil van oprechte verontwaardiging. Wat een vrouw en een mannetjesputter was Juliana en wat is haar door de patriarchale seksistische en autoritair-christelijke samenleving een immens onrecht aangedaan.

Het meest verbijsterende vind ik de passages waarin Juliana op goede gronden echtscheiding voorstelde om aan de slopende echtelijke twisten, die door Bernhard tot staatszaak werden opgeblazen, een einde te maken.

Het komt er op neer dat Bernhard zijn vrouw vanaf het begin af aan gekleineerd en vernederd heeft. Niets kon ze goed doen in zijn ogen: toen ze tijdens de oorlog in Canada zat leverde hij vanuit Londen kritiek op de keuze van haar kleren. Nadat hij de eerste foto’s uit Ottowa had ontvangen, schreef hij: „Maar je kostuum – wat is dat wat je daar draagt? Het lijkt mij een Juliana-combinatie van strandjurk met iets erboven om het deftig te laten lijken. En geen oorbellen! Ja, ja!”

Ondanks Juliana’s herhaalde verzoeken om inlichtingen hoe het met hem ging („Ik weet niet in wiens gezelschap je slaapt. Ik weet niets, niets, niets!”) weigerde hij haar deelgenoot te maken van zijn vrouwenaffaires. Dat leverde de klassieke situatie op dat iedereen wist dat hij een vriendin had, behalve zijn echtgenote.

Het is van belang te begrijpen hoe vernederd zij zich moet hebben gevoeld. Had het allemaal niet iets discreter gekund? Nee dus: shockerend is het om te lezen hoe Bernhard zijn Annie na de oorlog aan het publiek wilde tonen en Juliana zelfs dwong om als haar gastvrouw op te treden tijdens wintersportvakanties. Dat is pasjagedrag – pure, op vernedering gerichte, machtsuitoefening.

Wat sinds 1956 de Greet Hofmans-affaire is gaan heten is, zo blijkt uit Fasseurs boek, primair een paleisruzie geweest, een privé-conflict dat Bernhard dankzij handig manipuleren heeft gewonnen: hij heeft zijn huwelijk – zijn positie – gered ten koste van zijn diep ongelukkige en door haar ambt ingesnoerde echtgenote.

Uit Fasseurs samenvatting van het rapport van de commissie-Beel vond ik het boeiendst hoe spastisch de katholieke politicus Beel (KVP) en nog meer de gereformeerde scherpslijper Gerbrandy (ARP) op een door Juliana gewenste echtscheiding reageerden. Zij bleken scheiding een aanzienlijk grotere bedreiging te vinden dan abdicatie, een mogelijkheid die Juliana overigens geen moment overwogen heeft.

Gerbrandy schreef als lid van de commissie-Beel een aparte nota over de echtscheidingskwestie en kwam tot de conclusie dat een regeling in der minne ‘met behoud van de officiële façade’ was aan te bevelen boven echtscheiding. Een vordering tot echtscheiding door de koningin in te stellen achtte hij ‘moreel-politiek’ ontoelaatbaar. Juliana was dus als het ware vogelvrij én gevangen in haar huwelijk met Bernhard, die kon haar treiteren en vernederen zoveel hij wilde. Zij kon niet van hem af omdat volgens de christelijke moraal de façade van het gezinsideaal – de hoeksteen van de samenleving – moest worden opgehouden.

Dat was precies de fuik waarin toen zoveel vrouwen gevangenzaten. Tijdens het lezen van dit boek heb ik mij proberen voor te stellen wat een geweldige stimulans het voor de vrouwenemancipatie zou zijn geweest als Juliana Bernhard de deur had gewezen.

Helaas: de commissie-Beel stelde voorop dat zowel het gezins- als het landsbelang zich verzette tegen een breuk tussen koningin en prins. En niemand die zich ook maar durfde af te vragen wáárom dit eigenlijk tegen het landsbelang zou zijn geweest. De commissie-Beel verweet de prins dat hij „in toenemende mate tegen zijn echtgenote had nagelaten de normale vriendelijkheidsbetuigingen in acht te nemen, ook in het bijzijn van de kinderen.” Niettemin hoefde Bernhard geen enkele concessie te doen. Hij kon doorgaan met zijn vrouwenaffaires, de openlijke relatie met zijn secretaresse juffrouw Gilles die dag en nacht in zijn bijzijn verbleef, enzovoort.

Het vervulde mij met bewondering dat Juliana – ook na het rapport van de commissie-Beel – nog heeft gedreigd met echtscheiding. Toen Bernhard door bleef gaan met het opleggen van zijn wil aan Juliana, heeft zij verklaard dat het maar beter was onmiddellijk tot echtscheiding over te gaan, aangezien zij „bij paardenlengten voldoende redenen hiervoor had.”

Bernhard dacht als het hem uitkwam al even traditioneel over het huwelijk als Beel en Gerbrandy. Sterker: hij gebruikte haar wens om tot scheiding over te gaan als dreigement tegenover de commissie-Beel: als jullie mij mijn zin niet geven, komt er echtscheiding en dus een groot schandaal van.

Uit een brief van 18 september 1956 van Bernhard aan Juliana blijkt hoe de prins over echtscheiding dacht – die mening verschilde niet zoveel van die van onze huidige ChristenUnie-minister voor Jeugd en Gezin. „En nu de scheiding”, schreef Bernhard, „ik zeide het nog gisterenavond – wil jij onze familie de naam van een derderangs Balkanmonarchie geven? Ik zal er, uit plichtsgevoel voor onze kinderen en onze positie, zeer positief tegen vechten. Zoiets mag niet.”

Het is buitengewoon slim geweest van Bernhard om zijn patriarchale gezag over de naar zelfstandigheid strevende Juliana te herstellen door haar ervan te beschuldigen onder de invloed te staan van een buitenkerkelijke gebedsgenezeres.

Bizar, maar typisch Hollands. In de Verenigde Staten zou zo’n rel ondenkbaar zijn geweest. President Reagan raadpleegde onophoudelijk waarzeggers, president Bush stond onder de invloed van de evangelist Billy Graham. Daarbij vergeleken was Juliana een toonbeeld van stabiliteit. Er is niets gebleken van invloed van Hofmans op staatszaken.

Ik heb er dan ook moeite mee dat Fasseur aan het eind van zijn boek de volgende conclusie trekt: „Het neemt allemaal niet weg dat hij (Bernhard) in de Greet Hofmans-affaire het gelijk aan zijn kant had.”

Fasseur heeft geen bewijs kunnen vinden dat Juliana zich in staatszaken liet leiden door Greet Hofmans terwijl de prins-gemaal ook in staatsrechtelijk opzicht wel degelijk zijn boekje te buiten ging. Zo citeert hij de toenmalige premier Drees (PvdA) volgens wie de politieke moeilijkheden die Hofmans veroorzaakt zou hebben, helemaal niet groot waren. Drees zei dat Juliana weliswaar pacifistisch was en weinig op had met de NAVO, maar dat dat geen problemen hoefde op te leveren.

Maar in het door de Koude Oorlog vergiftigde klimaat kostte het de kring rond Bernhard weinig moeite de geloofsbeleving van de koningin verdacht te maken. De bijeenkomsten op het Oude Loo waar Juliana met geestverwanten van juffrouw Hofmans bijeenkwam, werden voorgesteld als bijeenkomsten van communistische fellow-travelers en het werd haar verboden ze nog langer te bezoeken.

Juliana’s eis dat Bernhard ophield met zijn Bilderberg-conferenties werd niet gehonoreerd – ondanks de waarschuwingen van Juliana die voorspelde dat dit niet goed zou aflopen, mocht hij daar van de regering gewoon mee doorgaan. Pas met de Lockheed-affaire bleek dat Juliana het bij het rechte eind had gehad. Niet Bernhard, maar Juliana had gelijk.

Dit is een bekorte versie van de tekst die Elsbeth Etty, redacteur NRC Handelsblad, gisteren uitsprak bij de presentatie van ‘Juliana en Bernhard’ van C. Fasseur.

Andere toespraken, o.a. Reinildis van Ditzhuyzen en H.L. Wesseling, op nrc.nl/opinie