Ieder mens gelooft in de opvattingen die hij heeft

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het verschil tussen gelovigen en niet-gelovigen.

Niet alleen in de Verenigde Staten wordt dezer dagen geschiedenis geschreven. Ook in Nederland is begin deze maand historische politieke vooruitgang geboekt, die een jaar geleden nog voor onmogelijk zou zijn gehouden. Toen was immers nog een ruime meerderheid in de Tweede Kamer tegen het schrappen van de strafbaarstelling van godslastering.

Dat de 76 jaar oude wet, die al sinds het Ezeltjesproces tegen Gerard Reve in 1968 een dode letter is, nu uitgerekend door CDA-minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie) alsnog uit het Wetboek van Strafrecht wordt gehaald, mag des te opvallender worden genoemd, omdat juist deze minister zich eerder nog expliciet voorstander van de wet had getoond. Hirsch Ballin was zelfs een van de weinigen die begrip konden opbrengen voor de arrestatie van cartoonist Gregorius Nekschot vanwege het ‘beledigen van moslims’.

De meeste argumenten voor het schrappen van de wet (het is een dode letter, belediging is niet aantoonbaar, God ‘lasteren’ is onmogelijk) zijn inmiddels zo vaak gehoord, dat ze nauwelijks nog toelichting behoeven. Maar één argument verdient het hier te worden herhaald: met de strafbaarstelling van godslastering was rechtsongelijkheid in de wet verankerd. De wet maakte immers een onderscheid tussen de opvattingen en gevoelens van ‘gelovigen’ en ‘niet-gelovigen’ en gaf eerstgenoemde voorrang; ‘gelovigen’ konden op meer wettelijke bescherming van hun opvattingen en gevoelens rekenen dan ‘niet-gelovigen’. Dat onderscheid was juridisch onhoudbaar, omdat ze haaks stond op het in de Grondwet gegarandeerde recht op gelijke behandeling.

Maar het onderscheid is ook filosofisch onhoudbaar: niet-gelovige mensen bestáán helemaal niet. Ieder mens heeft principes en opvattingen die hij voor waar houdt; ieder mens gelooft dus ergens in. Christenen geloven in God, moslims in Allah; liberalen in vrijheid, socialisten in gelijkheid; progressieven in vooruitgang, conservatieven in traditie; empiristen in waarneming, idealisten in ideeën; holisten in alles, nihilisten in niks – en de meeste mensen geloven in duizend-en-één bij elkaar geraapte (en vaak contradictoire) opvattingen tegelijk.

Dat we aan het ene stelsel opvattingen het predicaat ‘religieus’ toedichten en aan andere niet, is een historische gegroeide toevalligheid, waarvoor geen enkel rationeel criterium bestaat. Moet bijvoorbeeld de opvatting dat homoseksualiteit onnatuurlijk is, worden beschouwd als christelijk, islamitisch of darwinistisch? Is die opvatting ‘religieus’ als een imam het zegt en ‘niet-religieus’ als het uit de mond komt van een bioloog? En verdient de persoon die zichzelf en zijn wereldbeeld ‘religieus’ noemt om die reden meer wettelijke bescherming?

Het antwoord is natuurlijk: nee. Het predicaat ‘religieus’ is eigenlijk een fictie. Nu zullen ‘gelovigen’ zeggen dat er wel degelijk een reden is dat we het wereldbeeld van een christen, moslim, jood, of hindoe religieus noemen en die van een wetenschapper, liberaal, atheïst of socialist niet. Die reden is: transcendentie. Het onderscheid tussen religieus en niet-religieus zou volgens dit argument berusten op het feit dat een gelovige zich in de rechtvaardiging van zijn opvattingen beroept op een transcendente – dat wil zeggen: buitenmenselijke of niet aardse – bron. Volgens ‘gelovigen’ is die transcendentie ook de reden dat hun opvattingen meer bescherming behoeven: ze beroepen zich namelijk op iets wat slechts bestaat bij gratie van het geloof erin en zijn daardoor extra kwetsbaar voor kritiek.

Maar als transcendentie het criterium is, dan moet het Verlichtingsdenken van bijvoorbeeld Immanuel Kant (1724-1804) evengoed als religie worden aangemerkt. Zijn filosofie heet niet voor niets ‘transcendentaal idealisme’. Sterker nog, het wetenschappelijke wereldbeeld dat wij nu zo graag ‘niet-religieus’ noemen, is volledig gebaseerd op Kants concept van de transcendente rede, die voorschrijft dat rationele waarheden (zoals 1+1=2) ‘absoluut waar’ zijn en dus niet afhankelijk van het menselijke perspectief erop (zoals later Friedrich Nietzsche stelde). Oftewel: feiten zijn voor wetenschappers met het Kantiaanse wereldbeeld net zo ‘transcendent’ en ‘absoluut’ als god voor gelovigen. Een wetenschappelijk wereldbeeld zou je in die zin evengoed ‘religieus’ kunnen noemen.

Dat criterium houdt dus ook geen stand. Op fundamenteel niveau zijn alle opvattingen elkaars gelijke in de zin dat ze allemaal berusten op metafysische aannames die geen rechtvaardiging kennen voorbij het geloof dat men erin heeft. Dat wil niet zeggen dat alle opvattingen gelijkwaardig, even waar of even bruikbaar zijn. Integendeel: als dat zo was, zou er geen reden zijn überhaupt ergens in te geloven. Maar het betekent wel dat opvattingen allemaal opvattingen zijn. Voor de wet zouden die opvattingen dus als gelijke moeten worden beschouwd; geen enkel wereldbeeld verdient voorrang of uitsluiting op grond van de naam die we eraan geven.

Precies om die reden lijkt het dan ook een passende maatregel dat minister Hirsch Ballin nu ter compensatie van de geschrapte godslasteringswet de strafbaarstelling van discriminatie juist wil aanscherpen, zodat „ernstige beledigingen tegen een groep mensen, zonder dat deze expliciet wordt genoemd” vervolgd kunnen worden. Van rechtsongelijkheid is dan immers geen sprake meer: iedere groep kan zich met die wet dan tegen beledigingen verweren. Maar daarin schuilt juist ook weer een groot probleem. Want op die manier kan ook iedere kritiek als belediging worden aangemerkt en het zwijgen worden opgelegd.

Immers, mensen zijn beledigd of gegriefd wanneer ze zich persoonlijk aangevallen voelen; wanneer ze zich aangetast voelen in hun identiteit. Zo kan kritiek op de islam (‘Mohammed is een tiran’) voor een moslim beledigend zijn, omdat het niet alleen wordt opgevat als kritiek op ‘de religie’, maar ook als kritiek op hem als persoon; zijn identiteit wordt immers bepaald door die religie. Dit geldt niet alleen van godsdienstigen, maar voor alle mensen – iedereen ontleent zijn identiteit aan de opvattingen die hij heeft. Zoals iemand die gelooft in de islam of het christendom, zichzelf definieert als moslim of christen, zo beschouwt iemand die gelooft in het humanisme of liberalisme zichzelf als humanist of liberaal.

Iedere kritiek op ieder wereldbeeld kan dus als ‘grievend’ worden ervaren; er wordt dan immers getornd aan iemands identiteit. Wie bijvoorbeeld zegt dat de vrijheid van meningsuiting een gotspe is, ‘grieft’ liberalen in potentie evenzeer als iemand die mogelijkerwijs moslims kwetst door Mohammed een tiran te noemen. Strafbaarstelling van belediging van alle groepen mensen kan dus twee gevolgen hebben: of het wordt erg druk bij de rechtbank, of het wordt erg stil in het debat.

Het verweer van minister Hirsch Ballin hiertegen is dat uitspraken slechts strafbaar zijn wanneer ze „onnodig grievend” zijn. Een scherpe toon van cabaretiers en journalisten, of uitspraken met een „politieke boodschap” zouden niet strafwaardig zijn, omdat ze een functie hebben; ze zijn niet ‘onnodig’ beledigend. Maar wie bepaalt of een uitlating functioneel is of niet? En op grond waarvan? Was bijvoorbeeld Fitna ‘onnodig grievend’? Volgens onze eigen premier wel: de boodschap van de film diende „geen enkel ander doel dan het kwetsen van gevoelens”, aldus Jan Peter Balkenende destijds. Maar Geert Wilders zal daar toch echt anders over denken; voor hem is de boodschap van de film zelfs de bestaansreden van zijn partij. Een rechter laten bepalen wie hier ‘gelijk’ heeft, is onwenselijk én onmogelijk – er bestaat namelijk geen criterium voor.

De term ‘belediging’ zou dus geen juridische status mogen hebben. Gevoelens kunnen nu eenmaal niet beschermd worden door de wet. Niet alleen omdat onmogelijk vast te stellen is wat beledigend is en wat niet, maar vooral omdat beledigingen inherent zijn aan het hebben van meningsverschillen; beledigd-zijn is onvermijdelijk in een publiek debat. Dat is de prijs die we nu eenmaal betalen voor het leven in een vrije samenleving. En wie dat een te hoge prijs noemt, vind ik onnodig grievend.