Denkend aan Holland zie ik Freek de Jonge bij Pauw en Witteman

Freek de Jonge zong bij Pauw en Witteman een liedje. ‘Over Uruzgan’, kondigde Witteman aan, maar Freek corrigeerde: ‘Over een jongeman die naar een vredesmissie vertrekt’. Over het wezen van de vredesmissie dus. Het was een zingzegliedje, met een melodieus engelenkoortje op de achtergrond. Toepasselijk, want de jongeman sneuvelt, en stijgt als engel ten hemel.

Natuurlijk dacht ik toch aan Uruzgan. De regisseur had een collage gemaakt van vredesmissiebeelden, en de helft kwam daarvandaan.

Uruzgan.

Ik twijfel wel eens of het werkelijk bestaat. Dan sla ik mijn Times Atlas of the World open, blader naar Afghanistan, en waarachtig: daar ligt het. Zelfs Tarin Kowt staat er klein op. Dat moet het stadje zijn waar ze wel eens over schrijven. Dat bestaat dus ook echt.

De twijfel komt van de oorlog, of preciezer gezegd: van de vraag of die oorlog eigenlijk wel bestaat. Ik ben zelf nog van WO II, dat wil zeggen van de dagen, dat je op de kaart van Noord-Afrika Tobroek, Derna, Benghazi en Tripoli aanspeldde en later in Rusland het hele oostfront liet golven van Leningrad, Moskou en Rostov tot bijna de Kaukasus, en daarna weer terug. Oorlog was beweging. De Duitsers hadden in 1940 een paar weken nodig om Parijs in te nemen, en de Amerikanen vochten zich naderhand binnen een jaar van het Normandische strand naar de Elbe. Oorlog leek net zo’n organisatie als Neckermann: geheel verzorgd kon je er de halve wereld mee afreizen.

In Uruzgan beweegt niets – dat maakt het zo onwezenlijk.

Toen wij er in 2006 nog maar kort waren, liet de bevelhebber der strijdkrachten het woord inktvlekstrategie vallen. We waren op een klein plekje met z’n zestien- of zeventienhonderden gedropt, en het was de bedoeling dat we van daaruit terrein wonnen, zoals wanneer je midden op een blanco vel papier een scheut inkt uit het flesje giet, en het vel beurtelings een beetje naar links, naar rechts, naar boven en naar beneden houdt, totdat het één grote blauwe, of zeg in dit geval maar rood-wit-blauwe vlek is geworden.

Dat beeld sprak me wel aan. Ik verwachtte dan ook dat het Nederlandse contingent in de loop van de tijd als het ware over het hele land zou kunnen uitvloeien – hier een heart, daar een mind veroverend, en verder een spoor van waterputten, kleuterscholen, meisjeslycea, winkeltjes, supermarkten, disco’s, universiteiten en achtbaans autowegen achterlatend, van de zuidelijkste punt van Kandahar tot aan de noordelijkste buitenwijken van Kabul.

Maar volgens mij zitten ze met z’n zestien- of zeventienhonderden nog altijd op datzelfde kleine plekje waar alles begon.

Nederlandse journalisten gaan er wel eens naar toe, maar in dezelfde geest en onder dezelfde omstandigheden als de lange rij entertainers die van de commandant een kijkje mogen komen nemen. Eén pot nat. Het zou me niet verbazen als Gorden, René Froger en Jeroen van der Boom onder begeleiding van Cornald Maas binnenkort in Kamp Holland een try-out van hun songfestivalnummer geven. Je ziet het vóór je: een podium in het midden van ons plekje, de opperofficieren op de eerste rij, en zestien- of zeventienhonderd jongens en meisjes in carré om ze heen. Zoals Marilyn Monroe ooit optrad voor de Amerikaanse soldaten in Korea.

Heeft het iets weg van Korea? Op geen stukken na, lijkt me. Het oogt eerder als een Baarle-Nassau-achtige Nederlandse enclave in moslimland.

Laatst was onze minister voor Ontwikkelingshulp op bezoek, die zich in zijn gepantserde vest minzaam onderhield met lokale gezagdragers: Koenders bij de hoofden van Lebak. Heel ver uit ieders zicht schijnt soms een jongeman van een vredesmissie op een bermbom te rijden. Dan verzorgt Freek de Jonge een liedje bij Pauw en Witteman.

Lees de columns van Blokker op nrcnext.nl/blokker