De Aziatische hybride

Thailand is nou niet bepaald het brandpunt van de wereld. Het figureert doorgaans in de sector ‘overige berichten’ en als het kijkers trekt, dan als decor bij allerlei malle, voyeuristische, kinderlijke of genante spelletjes van commerciële omroepen. Dat is lekker goedkoop, een vliegtuigmaatschappij sponsort en het oogt toch een beetje exotisch. Dat is het noodlot van Thailand.

Toch gebeurt er iets fascinerends. En het raakt de rest van Azië meer dan mensen zich in het Westen doorgaans realiseren. Het gaat om de vraag wat voor type staat komt bovendrijven: een autoritaire democratie, een populistische democratie of iets anders?

Met de democratisch gekozen regering van Thailand gaat het niet best. Ze regeert al een tijdlang vanuit de viplounge van het afgedankte vroegere vliegveld van Bangkok. Het is een betrekkelijk aftands onderkomen buiten de stad, ver van het fraaie regeringscentrum. Daar kan de regering niet terecht, want het wordt al maanden door demonstranten bezet.

De fronten zijn curieus: er is een democratisch gekozen regering, die steunt op het betrekkelijk arme platteland en op een aantal moderne entrepreneurs. Hun favoriet was destijds de populistische telecommiljardair Thaksin, maar die werd door militairen aan de kant gezet. Hij woont nu in Londen en zou in eigen land wegens corruptie achter de tralies verdwijnen. Premier op dat sjofele vliegveld is nu zijn zwager.

De bezetters vertegenwoordigen de opgeleide middenklasse van Bangkok. Die wil ‘nieuwe politiek’, maar die komt dan toch vooral neer op een soort parlement waar de maatschappelijke elite het voor het zeggen heeft. Het leger staat erbij en kijkt ernaar, maar sympathiseert met de middenklasse. Hetzelfde geldt voor het ogenschijnlijk neutrale koningshuis. Het is stad versus platteland, ontwikkeld versus ordinair, aristocratie versus populisme. En geen mens weet hoe dit afloopt, al wijst alles in de richting van minder gedemocratiseerde verhoudingen.

De gangbare wijsheid van het Westen leert dat democratie komt met de middenklasse. In ontwikkelingslanden heb je doorgaans een kleine, steenrijke elite en een grote massa armen. De elite redt zich prima zonder democratie, de armen weten er niets mee aan te vangen. Komt er eenmaal een middenklasse, dan veranderen de spelregels: een middenklasse heeft belang bij een rechtsstaat, want dan kun je veilig een huis kopen, kinderen naar school sturen, sparen voor een pensioen, inbrekers aangeven bij de politie, et cetera. Om gehoord te worden en willekeur te bestrijden, hecht een middenklasse aan stemrecht en democratie. Aldus de gangbare redenering. En zo is het vaak gegaan – zeker in het Westen.

Maar Thailand? Welnu, dat heeft een middenklasse en die heeft kennelijk geen zin in democratie. Het is haar te wild, te plat, te populistisch.

Vorige week was de Singaporese intellectueel Kishore Mahbubani even in Nederland om er de zogeheten globaliseringslezing te houden. Hij vertolkt een ander standpunt: als een middenklasse eenmaal groot genoeg is, komt er op een gegeven moment democratie. Maar, aldus Mahbubani, „we doen dat in Azië op onze eigen manier en in ons eigen tempo”. Amerika had eerst honderd jaar nodig om de slavernij af te schaffen, nog eens honderd jaar voor de afschaffing van rassendiscriminatie en weer een halve eeuw voordat een zwarte er president kon worden. Als jullie in het Westen ons tot tempo manen, aldus Mahbubani, dan wuiven we dat weg en de macht hebben jullie al lang niet meer om ons iets af te dwingen.

Democratie is er in vele soorten en maten. Op Taiwan wordt de betrekkelijk rauwe versie beproefd, in Maleisië maakt een Maleis-islamitische meerderheid handig gebruik van de macht van haar getal, in Indonesië beproeft men het riskante experiment van democratie zonder rechtsstaat en in China worden de kaarten gezet op een consumentendemocratie à la Singapore: een middenklasse krijgt er als consument steeds meer rechten en vrijheden, maar speelt met het vuur van de chaos als het over burgerlijke vrijheden begint. De staat dus als traditionele, strenge maar goede vader.

De meeste probeersels van Azië wijzen in dezelfde richting: een staat met allerlei semi- en pseudodemocratische attributen, maar met een geraamte dat wordt gedragen door autoritaire gezagsverhoudingen. Wie ginds een keer een school of een universiteit binnenwandelt, ziet dat meteen. Hoffelijkheid, respect, gezag, ingetogenheid, ongelijkheid, onderdanigheid – ook in een oude democratie als India bepaalt het de verhoudingen.

Terwijl het grote China zoekt naar een niet-westers soort van autoritaire democratie, gebruikt de Thaise middenklasse haar democratie om iets anders te proberen. Het land zou beter af zijn met een prudente elite die weet wat goed is voor het volk, vinden rechters, advocaten, artsen, bureaucraten, officieren, professoren, grondbezitters en vindt menig journalist. Een-man-een-stem leidt maar tot wilde taferelen en de ene Berlusconi na de andere – zie Thaksin. Dat maakt de strijd tussen die Thaise premier op het sjofele vliegveld Don Mueang en de bezetters in zijn statige regeringskwartier zo relevant. (Al zal geen toerist met de kerst er op het fonkelnieuwe vliegveld aan de andere kant van Bangkok iets van merken.)

In ons westerse schema is weinig plaats voor de Aziatische hybride als eigentijdse staatsvorm. De verleiding is hier groot om autoritaire of consumentendemocratie te beschouwen als tijdelijke moderniseringskramp: hun voorland – dat zijn wij. Misschien is het zo, maar de zoektocht in Azië is vrij hardnekkig. Bovendien gaat het ook niet meer om ontwikkelingslanden van vroeger. Het zijn stuk voor stuk landen met een stevige, moderne middenklasse en een levensstijl die daarbij past.

En inderdaad – de tijd dat het Westen hen in deze sector wijsheid leverde, is voorbij.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/knapen