'We moeten even wennen'

Op zoek naar een passende functie, werkt Jet Berkhout om in haar onderhoud te voorzien, tijdelijk als huishoudhulp voor een thuiszorginstelling.

Ik ben vandaag voor het eerst bij meneer en mevrouw Blankers en het is mevrouw die me deze genadeloze zin toewerpt wanneer ik per abuis met stofzuigen begin.

Eigenlijk zegt ze: „Ik vind het vervelend dat je begint met stofzuigen, terwijl ik eerst de badkamer schoon wil hebben.”

Het gebruik van ‘we’ in „we moeten wennen” suggereert dat ze zich in mij verplaatst en denkt dat ook ik de situatie onwennig en misschien ook vervelend vind. Ik hoef heus niet te wennen, denk ik geërgerd.

Maar wat me vooral irriteert, is het benoemen van dat wennen. Het ongemak dat zij voelt, bestaat daardoor nu echt. Zoals een stilte pas ongemakkelijk wordt als iemand zegt „wat een stilte, hè?”

Nu mevrouw Blankers de wenperiode heeft ingeluid, moeten we samen door die periode heen, terwijl ik dat liever alleen en onwetend van haar gemoedstoestand had gedaan. Ik vraag me af hoe lang die periode duurt. Een uur? De hele ochtend? Een maand? Misschien zegt mevrouw Blankers op een gegeven moment: „Zo, en nu zijn we gewend.”

Al spoedig vuurt mevrouw Blankers haar volgende verbale granaat af. „Onze vaste kracht was zo’n enige jongen.” Feitelijk zegt ze: „Jij bent allesbehalve enig.” Ik kan op deze sneer alleen maar reageren met een niet gemeend „wat fijn voor u”. En het logische vervolg „wat jammer toch dat ik er nu ben” inslikken.

„Hij ging altijd onmiddellijk aan het werk als hij hier was”, vervolgt mevrouw Blankers. Nu bedoelt ze: „Wat vervelend dat jij zo traag bent.” Inderdaad, ik ben niet onmiddellijk aan het werk gegaan. Ik wist immers niet waar alles stond. Ik zwijg. „We moeten gewoon even aan elkaar wennen.” Pats, daar is hij weer. Alsof het een persoonlijke afwijzing is, krimp ik ineen bij dit herhaalde wenvonnis. Dan denk ik opstandig: aan mij valt niets te wennen. Ik ben aardig, meegaand, serviel zelfs, en maak als een vooroorlogse huisvrouw schoon. Jullie rouwen gewoon hardop om het vertrek van mijn voorganger.

Tegen voorgangers kan niemand op. Ik weet het, heb al dikwijls ervaren dat mensen teleurgesteld zijn mij te zien. Niet omdat ik het ben, maar omdat ik niet mijn voorganger ben. Voorgaande vaste krachten zijn vertrouwd, zeggen geen onverwachte dingen, kennen de wensen van de familie en weten de schoonmaakmiddelen te staan. Al zijn het luie serpenten, het feit dat ze vaste kracht zijn, maakt hen onoverwinnelijk.

Stuurs werk ik het huishoudlijstje van mevrouw Blankers af en stel geen kritische vragen. Ook omdat er een meneer Blankers in de kamer zit die duidelijk op haar hand is. Toen ze net zei dat we moesten wennen aan elkaar knikte hij instemmend. Terwijl ik mijn irritatie afreageer op de toilettegels, roept ze me. „Jet, er is koffie.” Ha, dat is fijn.

We zitten rond de koffietafel. Meneer Blankers vraagt belangstellend naar mijn studie. Mevrouw Blankers schuift me de koektrommel nog eens toe. Haastig drink ik mijn kopje leeg en sta op. „Ik ga weer door.” Ik wil niet onderdoen voor die vlotte voorganger van mij, hoewel ik de competitie al als verloren heb beschouwd. Een dag later krijg ik mail van de regiomanager. „Volgende week zelfde adres. Fam. Blankers wil je graag voor vast.”

We zijn gewend.

Jet Berkhout