Soms zijn er wel wat aardappelen voor de vluchtelingen

Georgië zorgt voor opvang voor duizenden inwoners die uit Zuid-Ossetië zijn gevlucht tijdens de oorlog met Rusland. Waarnemers van de EU inspecteren de noodhulpvoorzieningen.

Op een houtkacheltje in een kamer van een haveloos gebouw pruttelt een pannetje met aardappelen. Zes vrouwen en kinderen scharrelen rond de warme gloed. Eind augustus zijn ze uit het gebied rond Achalgori in het oosten van Zuid-Ossetië gevlucht, waarschijnlijk om er nooit meer terug te keren. De kleine kamer, waarin ze nu met elf mensen leven, is hun tijdelijke onderkomen, tot ze naar een van de vele nog te voltooien noodwoningen kunnen verhuizen.

Vandaag zijn er vijf waarnemers van de EU-missie op bezoek. Dagelijks patrouilleren ze met hun ruim tweehonderd collega’s in en buiten de bufferzone rond Abchazië en Zuid-Ossetië en rapporteren over de stand van zaken. Aanvankelijk zagen ze toe op de terugtrekking van de Russische troepen, maar nu die is voltooid kijken ze vooral of de Georgische politie geen militaire taken verricht en proberen ze vertrouwen op te bouwen onder de Georgische bevolking.

In Saguramo, een dorp op enkele tientallen kilometers van Tbilisi, inspecteren de EU-waarnemers de noodhulpvoorziening aan de vluchtelingen. „We kijken vooral of de voedselhulp wel bij de mensen terechtkomt”, zegt Judith Kiers. „En dat is lang niet altijd zo. Dat rapporteren we dan aan het World Food Program.”

„Wie helpt jullie?”, vraagt Arjen Uijterlinde, leider van het negen man sterke Nederlandse contingent EU-waarnemers, in het Russisch aan de vluchtelingen.„Een lokale zakenman heeft ons dit kacheltje en brandhout gegeven”, antwoordt de 16-jarige Mari Tolikisjvili. „Hij is een filantroop. En Duitsland geeft voedselhulp.”

Kiers noteert de gegevens en vraagt wat voor voedsel de vluchtelingen krijgen. „Graan, suiker, zout en olie”, antwoordt het meisje. „Maar is dat wel genoeg voor jullie?”, vraagt Kiers. „Krijgen jullie ook vlees, eieren en melk?” „Nee”, zegt Mari. „Soms krijgen we wel wat aardappelen.”

De Brit Mark Cunningham wil weten of er iemand van hen werk heeft. „Ja, de mannen, soms, in de bouw”, luidt het antwoord.

Uijterlinde vraagt de vluchtelingen of ze onlangs nog terug zijn geweest in Achalgori. Georgi Neaoeli wordt door zijn vrouw binnengeroepen. Hij is net een paar dagen in zijn dorp geweest om te zien of zijn huis er nog stond. „Alles is er rustig”, zegt hij laconiek. „Alleen de ouderen zijn achtergebleven.” Uijterlinde vraagt of hij veel Russische soldaten heeft gezien. „Er komen er steeds meer”, zegt Georgi. „Ze staan rond het dorp in de bergen. Ook heb ik zo’n zestig tanks gezien.” En ja, er waren controleposten, maar daar kwam hij gemakkelijk langs. „We hoefden alleen onze documenten te laten zien”, zegt Georgi.

Uitgewuifd door de vluchtelingen vertrekken de waarnemers vervolgens naar een oude school, zo’n honderd meter verderop, die wordt verbouwd voor noodopvang. „Het ziet er goed uit”, zegt Cunningham. „Alleen hadden ze makkelijk een cv-boiler kunnen aanleggen. Nu hakken ze in iedere kamer een gat in de muur voor een houtkachel en stoken ze hele bossen op.”

De patrouille trekt naar het dorp Tserovani, waar een Vinex-locatie met eindeloze reeksen noodwoningen wordt gebouwd. De huisjes worden geïnspecteerd, de bouwleiding ondervraagd over de voortgang. „2700 bungalows. Elke bungalow biedt onderdak aan vijf mensen”, zegt de directeur van het project trots. De waarnemers maken aantekeningen en foto’s.

Dan gaat het verder naar de grens met Achalgori. Bij de laatste Georgische controlepost, iets buiten het dorp Odzizi, staat een groep politiemannen op wacht. „De Russen hebben sinds kort tanks neergezet bij hun post, een paar honderd meter verderop”, zegt waarnemer Graham Bedford, die door zijn kijker naar de Russische stellingen tuurt. „Kijk, achter dat kapotte huis aan de overkant lopen Russische militairen.”

„We spreken hier altijd eerst met de Georgische commandant en rijden vervolgens naar beneden om met de Russen te praten”, zegt Uijterlinde. „Met enige regelmaat vragen we toegang tot hun gebied, dat ook onder ons mandaat valt. Maar die toegang wordt steevast geweigerd.”

Waarnemer Ger Timmer, een oud-militair, speurt met zijn veldkijker ook de Russische stellingen af. „Op grond van onze waarnemingen aan de grens maken we een analyse van de Russische troepenopbouw aan de andere kant”, zegt hij. „Tijdens onze patrouilles langs de meer dan vijftig grensovergangen drukken we vaak door naar de Russen. Soms verwacht je een grenspost en die is er dan niet. In dat geval rijd je door. Als je twee kilometer Zuid-Ossetisch gebied bent binnengereden en op de Russen stuit, dan stap je gewoon uit en maak je een praatje. Het is belangrijk dat je Russisch spreekt. Dan breekt het ijs. En je moet natuurlijk altijd een pakje sigaretten bij je hebben, ook al rook je zelf niet.”