Duizenden klaprozen kleuren het Vlaamse Ieper

Nergens is de Eerste Wereldoorlog zo actueel als in België, en dan vooral in Vlaanderen. Voor menig Vlaming begon toen de strijd tegen de bevoogding.

De Menenpoort in Ieper is bedoeld om te imponeren. Het is een groot bouwwerk. En op de muren staat een duizelingwekkend lange lijst met namen: ruim 50.000. Dat zijn alleen nog maar degenen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in de omgeving van Ieper sneuvelden in Britse dienst en niet konden worden geïdentificeerd en begraven.

Omdat het vandaag negentig jaar geleden is dat de oorlog werd beëindigd, staan er duizenden papieren klaprozen (poppies – de bloem die massaal opschoot uit de onbewerkte akkers van het slagveld en hét Britse symbool van die oorlog) rond de poort. Duizenden mensen kwamen vanochtend naar de Last Post luisteren. Dat kan elke avond om acht uur, al sinds 1928.

Philippe Haeyaert komt regelmatig naar de Menenpoort. Maar vanmorgen ging hij eerst naar de IJzertoren in Diksmuide, hét oorlogsmonument van de Vlaamse nationalisten, ruim twintig kilometer verderop. Daarna haastte hij zich naar zijn dorp Wevelgem, ook voor een herdenkingsplechtigheid. En vanmiddag zou hij nog een bezoek brengen aan de Franse begraafplaats bij Ieper.

Voor douanier Haeyaert (49) was het een juten zak die zijn belangstelling wekte. Een zak zoals die werd gebruikt in loopgraven. Er zaten zo’n zevenhonderd brieven in, geschreven door Belgische soldaten aan het front. De zak werd in de jaren tachtig van de vorige eeuw gevonden op de zolder van een overleden familielid van de voormalige geschiedenisleraar van Haeyaert. Die was op dat moment zelf net geschiedenisleraar. Hij maakte een boek over die brieven.

Alle briefschrijvers kwamen uit zijn dorp. „Ze vertelden wat ze meemaakten”, zegt Haeyaert. „Dat ze probeerden de uitvaart te verzorgen van een makker die gesneuveld was. Dat ze bang waren. Of dat ze hun vrouw misten.” De verhalen maakten grote indruk op hem. De veteranen, met wie hij in contact kwam, nog meer.

Op tal van plaatsen in Europa wordt vandaag het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. In Londen was er vanmorgen een ceremonie in aanwezigheid van de drie laatste Britse veteranen. In Verdun, Frankrijk, is er een herdenking met de Britse prins Charles, de Franse president Sarkozy en voorzitter Barroso van de Europese Commissie.

Maar nergens is de oorlog zo actueel als in België, en dan vooral in Vlaanderen. In het collectieve geheugen van de Vlamingen is ’14-’18 de periode waarin hun ontvoogdingsstrijd echt begon. ‘Hier ons bloed, wanneer ons recht’ was een van de leuzen. Het Nederlands werd toen gezien als een inferieure taal. Universitair onderwijs in het Nederlands bestond bijvoorbeeld niet. Negentig jaar later is de ontvoogdingsstrijd volgens sommigen nog altijd niet voltooid.

Haeyaert heeft het over ‘Vlaamse jongens’ alsof het gisteren was. „Ze werden de dood in gejaagd”, zegt hij, „omdat ze de bevelen van hun overste niet verstonden.” Die sprak immers Frans.

Vervolg Herdenking van pagina 1

Geschiedenis Eerste Wereldoorlog is hier tastbaar

Haeyaert is voorzitter van het Verbond VOS, na de oorlog opgericht als ‘Vlaamsche Oud-Strijders’. Veteranen zijn er niet meer in België maar VOS bestaat nog steeds, als vredesorganisatie. Ze wordt nu zelfs gesubsidieerd door de Vlaamse overheid.

Piet Chielens, een vijftiger, werd als kind al gegrepen door de Eerste Wereldoorlog (die meer dan 37,5 miljoen slachtoffers eiste). Dat kan ook moeilijk anders, zegt hij, als je zoals hij bent opgegroeid in de Westhoek – de streek in West-Vlaanderen waar het front was. Het gebied is het bezaaid met militaire begraafplaatsen. Er liggen alleen al meer dan 150.000 soldaten uit het Britse Gemenebest begraven.

„Ik leerde m’n eerste Engelse woordjes van Britse headstones”, zegt Chielens. De Westhoek roept een einde-van-de-wereld-gevoel op, zoals meer grensstreken. En daar kwamen mensen uit heel de wereld – Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Canadezen – naartoe om te vechten. Chielens wilde weten waarom. Uiteindelijk maakte Chielens er zijn werk van. Tien jaar geleden opende zijn museum In Flanders Fields in Ieper. Elk jaar trekt het meer bezoekers, vorig jaar zo’n kwart miljoen.

„Mensen zijn heel erg bezig met geschiedenis”, zegt Chielens. „En een geschiedenis die tastbaarder is dan de Eerste Wereldoorlog is er niet.” Het was geen bewegingsoorlog, zoals de Tweede Wereldoorlog, maar een oorlog tussen legers die zich letterlijk ingroeven. Kraters, bunkers, loopgraven – het is er nog.

Als kind kreeg Piet Chielens ook het romantische verhaal te horen van soldaten die stierven voor Vlaanderen. Maar er klopt volgens hem weinig van. Dat verhaal is grotendeels na de oorlog bedacht, zegt hij, in de jaren twintig en dertig. „Het is waar dat de officieren in het Belgische leger Frans spraken. Maar dat was net zo goed een probleem voor Waalse soldaten. Die spraken geen standaard-Frans maar een Waals dialect. Voor hen waren die officieren ook onverstaanbaar.”

En omdat het een loopgravenoorlog was, was de positie van de officieren niet te benijden. „Zij moesten als eerste de loopgraaf uit, zodat de rest kon volgen.”

Na de oorlog vervingen de Belgische autoriteiten de grafstenen die een deel van de Vlaamse soldaten op particulier initiatief hadden gekregen. AVV-VVK stond er op: Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen Voor Kristus. In plaats daarvan kwamen uniforme, Belgische grafstenen. Uit protest bouwden Vlaamse nationalisten in Diksmuide een grote toren, in de vorm van de oorspronkelijke Vlaamse zerken. Naar de jaarlijkse ‘bedevaart’ bij de IJzertoren in augustus komen nog altijd duizenden mensen, onder wie tal van politici.

Het verhaal van de vernielde zerken, dat door Vlaamse nationalisten ook graag wordt verteld, klopt volgens Piet Chielens wel. „Het is begrijpelijk dat een leger uniforme stenen wil”, zegt hij. „Iedereen is gelijk, zeker in de dood. Maar het was natuurlijk een stommiteit. Die vernietigde stenen werden zelfs gebruikt voor de aanleg van wegen. Begrijpelijk dat dat werd gezien als grafschennis.”

Wallonië kent geen herdenkingscultus, zoals in Ieper. In haar recent verschenen boek vraagt historica Sophie De Schaepdrijver zich af waarom zoiets niet is ontstaan in bijvoorbeeld Dinant, waar Duitse soldaten op 23 augustus 1914 650 van de 7.000 burgers doodden, en wel in de Vlaamse Westhoek. Haar antwoord: de Britten. Die legden in Vlaanderen tal van zorgvuldig gestileerde begraafplaatsen aan, „die als het ware een tussenetappe van de herinnering [zijn] geworden, die de directe herinnering van de nabestaanden heeft afgelost”. De Britten bouwden ook de Menenpoort.

Brandweerlieden spelen een belangrijke een rol bij de Menenpoort. Ze marcheren, ze dragen uniformen, maar het zijn géén soldaten. Daardoor heeft de herdenking tegelijk iets militaristisch en pacifistisch. Gesproken werd er ook gisteravond bij de speciale herdenking nauwelijks, behalve een enkele zin – we will remember them. Droevige en vrolijke muziek werd afgewisseld door stiltes. Toen muzikanten Amazing Grace (Waarheen, waarvoor) inzetten, neuriede het publiek massaal mee.

„Het is een fantastisch ritueel omdat het zo leeg is”, zegt Piet Chielens. „Het is container. Je kunt elke dag opnieuw bedenken wat je er in stopt: de doden van de Eerste Wereldoorlog, die van de Tweede Wereldoorlog, of uiteindelijk zelfs iedereen die op een zinloze manier sterft.”

Het Verbond VOS van Philippe Haeyaert houdt ook jaarlijks een herdenking bij de Menenpoort. Aan het opheffen van zijn vereniging wil hij nog niet denken. VOS zet tegenwoordig projecten op om de integratie van minderheden te bevorderen. Ze spreekt zich uit tegen het gebruik van Engels aan Vlaamse universiteiten. Wanneer is de Vlaamse ontvoogding dan voltooid? „Nooit”, zegt Philippe Haeyaert. „Die gaat altijd door.”