De geldmarkt is de spiegel van de mens

In een boek dat op geen beter moment had kunnen komen, projecteert Niall Ferguson historische lessen op de huidige beursstorm.

‘Went geld te snel?’

Een aantal jaren achter elkaar bleef de obligatiemarkt rustig en stabiel. Dankzij financiële vernieuwingen konden banken hun balans oprekken: meer geleend geld en minder reserves. De onderlinge afhankelijkheid van banken en landen was een geruststellende gedachte. Er was voldoende geld in de markt voor handel en industrie. Optimisme alom.

Dit had een analyse van de laatste jaren kunnen zijn, maar dat is het niet. Het is een beschrijving van de laatste maanden voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Optimisme is een raar iets. Toen aartshertog Frans Ferdinand op 28 juni 1914 in Sarajevo werd vermoord, reageerden drie weken lang wereldwijd de beurzen helemaal niet op die aanslag. Pas in de laatste week van juli begon het en toen ging het ook snel. Op 30 juli had de paniek de zaken overgenomen: lange rijen, liquiditeitsproblemen, faillissementen, een loepzuivere credit crunch.

Waarom zagen de mensen de grote ramp niet aankomen? ‘Een mogelijk antwoord zou kunnen zijn dat hun zicht was vertroebeld door een combinatie van verstrijkende tijd en een royale beschikbaarheid van liquide middelen.’ Oftewel: geld went snel.

De gebeurtenissen en dit citaat staan in een boek dat op geen beter moment had kunnen komen: The Ascent of Money. De auteur maakt als financieel en economisch historicus en verteller al enige tijd furore: Niall Ferguson. Hij schreef eerder bestsellers als Empire over de opkomst en ondergang van Groot-Brittannië als wereldmacht en Cash Nexus over de rol van het geld sedert de industriële revolutie.

Ferguson is een geweldige verteller. De meest uiteenlopende episodes van de laatste duizend jaar brengt hij onder in een relaas over de wisselwerking tussen financiële ontwikkelingen en uitvindingen enerzijds, en maatschappelijke trends anderzijds. Zo zoekt hij naar een verklaring waarom de stap van gangbaar schuldpapier naar het aandeel uitgerekend begin 17de eeuw in Amsterdam plaatsheeft en de VOC de eerste moderne nv wordt. Het blijkt een combinatie van risicomanagement, afwezigheid van dominante aristocratie en aanwezigheid van een groot aantal regenten, bestuurders, kooplieden en steden in het toenmalige gewest Holland. Gepland was het allemaal niet, ‘maar zodra bankiers een VOC-aandeel begonnen te aanvaarden als onderpand voor een lening, kwam er een band tussen de aandelenbeurs en de kredietvoorziening. De volgende stap was dat banken geld uitleenden om aandelen tegen krediet te kunnen kopen. Bedrijf, beurs en bank zorgden voor een driehoekige fundering van een nieuw soort economie.’

Ferguson wandelt probleemloos door tijd en ruimte. Van de Medici in het Florence van de vroege Renaissance naar Memphis, Tennessee, anno 2007 is een kleine stap. Wie in Europa naar peptalkseminars van ondernemers gaat, of ging, krijgt de laatste decennia steevast te horen dat Amerika het land is van de ondernemers. In dat klimaat gold een faillissement niet als een schandvlek, maar als een waardevolle les voor een zakenman op de weg naar de top. In Europa daarentegen was het huilen-met-de-pet-op: risico mijdende managers, een weinig stimulerende staat en een cultuur waarin het een schande was om failliet te gaan.

Een strikt historicus zou zijn handen aan de huidige crisis nog niet hebben gebrand, en dat terrein veilig aan intellectuele speculanten, journalisten en economen hebben overgelaten. Maar Ferguson is daar een veel te speelse geest voor. En dus projecteert hij wat historische lessen op de huidige beursstorm. Een suggestie: banken moeten eigenlijk niet zo groot worden, want dan worden ze in noodgevallen gered. Een andere: ‘Elke schok in het financiële systeem moet leiden tot slachtoffers [...] en de mogelijkheid tot vernietiging kan en mag niet worden geëlimineerd door uitzonderlijk behoedzame regels van toezicht’, zo waarschuwt de auteur alvast de bezige bestuurlijke plannenmakers van dit moment. Om er vervolgens enigszins berustend aan toe te voegen dat financiële markten, anders dan de huidige Duitse president beweert, geen monsters zijn.

Ascent of Money heeft een paar zwakke kanten. Her en der is Ferguson te springerig. Misschien komt het omdat hij soms put uit eerder werk, zoals het spannende verhaal van de eerste Rothschild en zijn bijna-fatale misrekening bij de slag van Waterloo. Of dat van de eerste pensioenverzekering in Schotland naar voorbeeld van het zo succesrijke moderne pensioenstelsel van Chili.

Wat ook blijft hangen, is de vraag waarom uitgerekend in de financiële sector het geheugen van mensen zo kort lijkt, waarom de wijsheid van vandaag met zoveel gemak de onzin van morgen is, waarom analyse en humeur juist in deze hoek van de samenleving zo gemakkelijk mengen. Waarom een derivatenomvang van drie keer het mondiale nationale product in 2006 een bewijs van innovatie heet en in 2008 een bewijs van ontoereikend toezicht en financiële absurditeit. Went geld te snel?

Aan de Amsterdamse beurs is, zoals bekend, een einde gemaakt aan naked short selling, de methode waarbij je aandelen die je nog niet in je bezit hebt, tegen een lagere prijs belooft te verkopen. Naked short selling jaagt de prijs van een aandeel te hard omlaag, aldus de critici. De staat grijpt in, de short sellers zijn ineens de klos. Wat een verrassing. Of toch niet?

De eerste keer dat zich grosso modo dit scenario ontrolde, was amper een half decennium na oprichting van ’s werelds eerste aandelenbeurs. De klos was een short seller met de naam Isaäc le Maire en het gebeurde in 1611.

Niall Ferguson: The Ascent of Money. Penguin, 464 blz. € 37,– De Nederlandse vertaling verschijnt eind deze maand bij Contact als Het succes van geld.