Burgemeester creatief met grondrechten burger

Nieuwsanalyse

Amsterdam ‘verstoort’ een ex-zedendelinquent na zijn vrijlating om opnieuw misbruik van kinderen te voorkomen. Een legale inbreuk van de privacy?

Ging burgemeester Cohen van Amsterdam buiten zijn boekje toen hij vorige week de politie een vrijgelaten zedendelinquent liet ‘verstoren’? Had de rechter of reclassering dat niet moeten oplossen?

Het stadsbestuur greep naar een dwangmiddel dat alleen nog op aspirant-verdachten van terreuraanslagen is toegepast, het zogeheten „persoongericht verstoren”. De burgemeester laat de politie posten bij een woning: de bewoner wordt regelmatig aangesproken en opgebeld. Instanties, buren en werkrelaties worden gewaarschuwd. De buurt wordt voorgelicht over aangifte doen. In een brief aan het kabinet zegt Cohen „er van uit te gaan” dat hij de wet niet overtreedt. En „voor zover dat niet het geval is” vraagt hij om steun. Zeker weet hij het dus niet.

In twee eerdere zaken oordeelde de rechter dat het stadsbestuur het één keer goed deed en één keer fout. Toen was het politieoptreden namelijk „buitenproportioneel”. Het ging om Amsterdammers die banden met radicale moslims zouden hebben. Nu is het een ‘chakra-therapeut’ die zich vergreep aan gehandicapte kinderen. En nu weer kinderen benadert.

Dat de man een bedreiging is werd al in hoger beroep in 2006 erkend. Het gerechtshof oordeelde toen dat de man „fundamenteel miskent” dat zijn gedrag niet door de beugel kon. Het Hof verwachtte dat hij zijn gedrag niet zou veranderen. Liefst hadden de rechters hem uit zijn beroep gezet, maar dat kon niet. „De enige bescherming die de samenleving geboden kan worden” was een celstraf van „aanzienlijke duur”, aldus de raadsheren. Dat werd 4,5 jaar. En die zijn nu voorbij. De dader hervat zijn leven als volledig vrij man.

Mag de overheid hem daarna nog extra controleren of beperken, zónder dat de rechter dat mogelijk maakte? Het raakt aan fundamentele vrijheidsrechten. De Groningse hoogleraar algemene rechtswetenschap Jan Brouwer noemt het ingrijpen van Cohen „echt op de grens” van de wet. Artikel 172, lid 2 van de Gemeentewet, waarop Cohen zich baseert, geeft de macht om verstoringen van de orde te „beletten of beëindigen”. De burgemeester mag daartoe „bevelen” geven. „Maar alleen”, zegt Brouwer „aan burgers. Niet aan de politie.” Dus dit artikel „is hier volstrekt niet aan de orde”.

Aan artikel 12 van de Politiewet heeft Cohen dan meer. Om de politie de openbare orde te laten handhaven staat zij „onder gezag van de burgemeester” die haar daartoe de „nodige aanwijzingen” kan geven. Samen met artikel 2 waarin de taak van de politie staat omschreven (handhaving van de rechtsorde en hulp verlenen) „is daaruit wel een zekere bevoegdheid van de burgemeester af te leiden”, aldus Brouwer.

Maar hoever mag de burgemeester daarin gaan? Brouwer zegt dat de burgemeester „tot op zekere hoogte burgers in de gaten mag houden. Daarbij is een lichte inbreuk op de privacy toegestaan. Maar dat moet dan in een redelijke verhouding zijn tot het doel dat wordt gediend.” Brouwer, expert in het openbare-orderecht, noemt als matigende factoren de duur van het toezicht, mate van intensiteit en de ernst van de verdenking.

Als een burgemeester „twee keer per week een surveillanceauto extra door de straat laat rijden” dan is dat volgens hem juridisch „jaren vol te houden”. Dat wordt anders als het om frequent, direct contact gaat, ook met de omgeving. „Het blijft een inbreuk op de grondrechten.” Cruciaal is dat de openbare orde acuut moet zijn verstoord. „Het voorkomen van recidive is geen taak van de burgemeester. Dat kan hij ook niet”.

Brouwer neemt aan dat Cohen vreesde voor acute molestatie door buurtbewoners. „Het moet een signaal aan de buurt zijn. Jullie blijven stil zitten, want ik treed op”, denkt hij. De officier van justitie is niet bevoegd. „Er is nog geen begin van een strafbaar feit. Dit is een abstracte dreiging.”

Volgens Brouwer is de instantie die ‘echt’ aangewezen is om deze problematiek op te lossen de reclassering. Maar dan moet de rechter bij het vonnis reclasseringscontact als „bijzondere voorwaarde” opleggen. Is dat het geval dan kan een vrijgelaten zedendelinquent gedwongen worden allerlei disciplinerende of vaardigheidstrainingen te volgen. In beginsel houden politie, reclassering, buurtwerk, woningbouwvereniging samen bij hoe de ex-delinquent onder toezicht zich gedraagt. Zodat bijvoorbeeld tijdig wordt opgemerkt als een bekende pedofiel bij een basisschool uit wandelen gaat.

Sjef van Gennip, algemeen directeur van Reclassering Nederland, wil niet ingaan op dit concrete geval. Maar hij wil wel kwijt dat bij „hardnekkig gedrag, waarbij je risico blijft houden, de rechterlijke macht veel langere voorwaardelijke straffen zou moeten opleggen, zodat je iemand ook langer onder toezicht kunt houden.”

Nu is twee jaar toezicht met een eenmalige verlenging van een jaar gebruikelijk. Van Gennip is bij de moeilijkste klanten voorstander van „levenslange proeftijd. Juist om zo lang mogelijk bij hardnekkige ex-delinquenten de vinger aan de pols te kunnen houden.” In de Kamer gingen stemmen op de ondertoezichtstelling bij kinderporno tot tien jaar uit te breiden.

Is ‘persoonsgericht verstoren’ de enige optie als een ex-zedendelinquent zonder toezichtsmaatregel is vrijgelaten? Van Gennip „zou (zich) voor kunnen stellen” dat de burgemeester zo iemand alsnog reclasseringstoezicht opdringt door te dreigen met persoonsgericht verstoren. „Je stelt zo iemand voor de keus. Of de reclassering gaat met u en uw afwijkende gedrag aan de slag. Of u weigert en dan wordt het toch ‘verstoren’ door de politie.”

Links en ruimte voor reactie op nrc.nl/uitspraak