Baby Hendrikus mag niet naar huis

De pasgeboren baby van een echtpaar met verstandelijke beperking werd al uit huis geplaatst voordat hij thuis was geweest. Voorlopig blijft hij in een pleeggezin, bepaalde de kinderrechter.

Baby Hendrikus uit Geldermalsen blijft nog ten minste drie maanden in een pleeggezin. Dat heeft de kinderrechter in Arnhem gisteren bepaald. Het jongetje werd een dag na zijn geboorte op 13 oktober vanuit het ziekenhuis naar het pleeggezin gebracht, omdat hulpverleners twijfelden aan de opvoedkundige kwaliteiten van zijn ouders. Die hebben beiden een verstandelijke beperking.

De rechter twijfelt niet aan de liefde voor hun zoon, aldus de uitspraak van gisteren, maar wel aan vaardigheden als „flexibiliteit, het kunnen bedenken van oplossingen voor ad hoc gerezen vragen/problemen, stressbestendigheid, het onderkennen van situaties waarin hulp van derden geboden is en ook het daadwerkelijk inroepen van deze hulp”.

De ouders van Hendrikus werken in een sociale werkplaats en leefden tot voor kort zelfstandig. Afgelopen zomer benaderden zij de organisatie MEE, die mensen met een beperking begeleidt, voor advies over kinderopvang. Hulpverleners van MEE betwijfelden echter of het stel de zorg voor een kind wel zou aankunnen. Na overleg met onder meer de huisarts en de verloskundige schakelde MEE zes dagen voor de bevalling het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling in. Dit leidde tot een ‘spoeduithuisplaatsing’ op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, nog voordat Hendrikus thuis was geweest.

Conform de wettelijke procedure gaven de ouders twee weken later hun mening tegenover de rechter. Bijgestaan door een oom en tante lieten ze weten dat ze, met enige hulp, zelf voor hun kind kunnen zorgen. Maar ze namen op die zitting de „zorgen” niet weg, aldus de uitspraak.

De rechter neemt wel erg het zekere voor het onzekere, vindt Edward Plass, de advocaat van de ouders. „In een situatie waarin nog niets is misgegaan, en waarin wat mij betreft onvoldoende blijkt dat er iets mis zou kunnen gaan. Dat is tamelijk uniek. Het uiterste middel wordt preventief gebruikt.”

De Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek naar de ouders. Dat is nog niet afgerond. De uithuisplaatsing is nog steeds uitsluitend gebaseerd op de melding van MEE. Jeugdrechtadvocaat Amanda de Nijs ziet dat „helaas” vaker. „Kinderen worden tegenwoordig op basis van heel dunne gegevens uit huis geplaatst. En als ze eenmaal uit huis zijn, is de rechter heel voorzichtig. Dan moeten ouders eerst maar eens bewijzen dat ze het kunnen.”

De Nijs vindt dat de ouders van Hendrikus op de rechtszitting hadden moeten worden bijgestaan door een advocaat. Dat gebeurde niet, omdat hun rechtsbijstandverzekeraar DAS de zaak „kansloos” achtte. Pas na de zitting wees DAS advocaat Plass toe. Te laat, vindt De Nijs. „Het is mij meermalen gelukt een kind al op die eerste zitting teruggeplaatst te krijgen bij de ouders. Een advocaat had bijvoorbeeld ook kunnen pleiten voor opname van ouders en kind in een speciale instelling waar toezicht op hen is. Dan waren ze tenminste herenigd.”

Advocaat en hoogleraar strafrecht Geert-Jan Knoops vindt dat de kinderrechter de zaak zonder advocaat niet had moeten behandelen. „De rechter had ambtshalve een advocaat moeten toevoegen, mede gelet op de verstandelijke vermogens van de ouders.” Hij verwijst naar de zaak-Morris/Steel, waarin Groot-Brittannië had nagelaten rechtsbijstand te bieden aan een echtpaar, dat daardoor zonder advocaat tegenover hamburgerketen McDonald’s stond. „Het Europese Hof oordeelde dat hun recht op een eerlijk proces was geschonden. De staat moet zorgen dat is voldaan aan het beginsel van equality of arms.”

De kinderrechter geeft uiterlijk 14 januari een definitief oordeel over Hendrikus. Wat kunnen zijn ouders nog doen om dat te beïnvloeden? De rust bewaren, zegt advocaat Plass. „Geen gekke dingen doen.” Volgens de rechter moeten zij Hendrikus zo vaak kunnen zien als praktisch mogelijk is. Tot nu toe hebben ze hun zoontje twee keer een uur mogen zien.