Vreemder dan alles wat vreemd is

De ochtendzon liet de herfstbomen onwaarschijnlijk fel zien, hun geel kan bijna lichtgevend en aanstellerig worden als het zonlicht dat wil. Beukenlanen met beuken in drie kleuren, groen, geel en oranje, gloeiende eiken, ertussendoor Drentse akkers of lege gebieden met vennetjes – je zou geen foto moeten nemen want wat je te zien kreeg, zou je als pure kitsch beschouwen. Maar als je ernaar kijkt, zomaar op een zaterdagochtend, ben je ten prooi aan niets minder dan verrukking.

Voelde ik ook verwondering, het gevoel dat hoog op de hitparade van het bewuste leven staat? Ik weet het eigenlijk niet. Ik deed geloof ik wat de anti-metafysische dichter Alberto Caeiro altijd vindt dat je moet doen: kijken zonder te denken. Hoewel, dat is niet helemaal waar: ik vond het mooi. Dat is een gedachte.

„Soms op dagen van volmaakt en zeer scherp licht,/ Waarop de dingen zo werkelijk zijn als ze maar kunnen zijn,/ vraag ik mij langzaam af,/ waarom ik schoonheid toeken aan de dingen”, schreef Caeiro. Ja waarom. „Ze hebben kleur en vorm” schrijft hij, zichzelf vermanend „schoonheid is de naam van iets dat niet bestaat”.

Schoonheid is de naam van iets dat wij toekennen of ontkennen al naar gelang het ons uitkomt, het is niet objectief vast te stellen. Dat is geen reden om te zeggen dat het niet bestaat, het hele woord ‘bestaan’ lijkt hier eigenlijk niet zo goed gekozen. Bestaan is voor concrete zaken, voor abstracte gebruiken we dat woord niet, omdat je dan altijd of in de metafysica terechtkomt of in het wilde weg van alles en nog wat het bestaan moet gaan ontzeggen. En wat schieten we daarmee op. Ook niet-bestaande dingen, van virtueel geld tot schoonheid, van vertrouwen tot ‘change’, hebben invloed op wat duidelijk en aantoonbaar bestaat.

In de nieuwe dichtbundel van Rutger Kopland, Toen ik dit zag, staat een reeksje van drie gedichten ‘Aan het grensland’. De dichter kijkt naar het land dat hij het grensland noemt (in het Belgische dorpje Watou, waar elke zomer een poëzie- en beeldende kunstmanifestatie gehouden wordt, is een stuk land dat zo heet, het grenst aan Frankrijk) en hij vraagt zich dingen af, dingen over leven en dood, over waar je vandaan komt, over wat er is zonder dat je er zelf bent, over vage verlangens naar „iets misschiens iets dat je nooit hebt begrepen” en hij citeert Pessoa, dat wil zeggen, diens heteroniem Alberto Caeiro: „je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles/ wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn/wat ze lijken te zijn en dat er niets/valt te begrijpen.” De reeks eindigt met een ander citaat, al even schitterend, van Oscar Wilde: „Het geheim van de wereld is het zichtbare/niet het onzichtbare.”

Onlangs liepen we met vrienden in het donker nog even om voor het slapen gaan, over een zeer hobbelig keienweggetje. Een van ons vertelde dat ze in de Tour de France een parcours hebben over zulke weggetjes. Om het pittig te maken. Alsof het niet pittig genoeg is, zei ik, sport is toch iets heel vreemds. Het hele leven is iets heel vreemds, zei de vriend en dat klonk zoals hij het zei niet als een dooddoener, maar als een oprechte overtuiging. Als precies zoiets als Wilde bedoelde.

Caeiro is, zoals gezegd, een anti-metafysische dichter, die er steeds weer op wijst dat we gewoon moeten kijken naar de wereld zoals die zich voordoet en niet gaan zitten speculeren over ‘zin’ of ‘innerlijke samenhang’ enz.: „dat alles wil niets zeggen”.

Kopland is ook zo’n dichter. Zulke dichters, die niet willen geloven, geen zin hebben in metafysica en transcendentie, hebben het niet voor niets steeds tóch over zulke dingen. Ze dichten over dat de wereld is zoals hij is, geen goden te zien, niet omdat ze alles zo enorm vanzelfsprekend vinden, maar juist omdat ze alles zo hoogst bijzonder vinden. „Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn.”

We hebben de neiging om te denken dat metafysica en religie juist voortkomen uit verwondering, uit een diep besef van raadselachtigheid, van mysterie. Omdat we niet in staat zijn te begrijpen waarom we leven, waarom de zon zo onwaarschijnlijk op de herfstbladeren schijnt, waarom de wereld bestaat, daarom veronderstellen we goden, oorzaken, samenhangen, bedoelingen.

Dat leek me altijd een heel aannemelijke verklaring. Het is zó onwaarschijnlijk dat wij er zijn, dat alles er is, dat men ooit gedacht heeft: daar zit iets achter, een scheppende geest, een begin, een samenhang. En het is zó onvoorstelbaar dat wij, die zelf leven, denken, zien, zomaar uit deze wereld kunnen verdwijnen, dat ons verlangen een wederopstanding en een onsterfelijke ziel heeft geschapen, waardoor we zorgeloos dat einde tegemoet kunnen zien: het zal geen einde blijken te zijn. Las net nog weer eens de redeneringen die Socrates opzet vlak voor zijn dood, om iedereen ervan te overtuigen dat de ziel onsterfelijk is, en dat hij meer die ziel is dan zijn lichaam en dat zijn dood dus niets te beduiden heeft. Hij sterft dan ook beroemd kalm, in die overtuiging.

Maar eigenlijk zeggen dichters als Caeiro en Kopland dat je, als je zulke dingen aanneemt, je je niet genoeg verwondert. Je heft de verwondering op door met verklaringen te komen, je kijkt niet naar wat er is maar praat over wat je verzint, je wilt bedoeld zijn en niet per ongeluk ontstaan – en daarmee verklein je in feite het raadsel. Want het vreemdste, ‘vreemder dan alles wat vreemd is’ is dat er niets valt te begrijpen en dat alles werkelijk is zoals het lijkt.

Het hele leven is vreemd – maar dat vind je meestel helemaal niet. Zou behoefte aan zingeving ook zoiets zijn, gebrek aan aandacht voor wat er gewoon is?

Zag daarnet in de hoge stengels van het uitgebloeide leverkruid een grote bonte specht landen en wat om zich heen pikken. Een grote bonte specht is een wonderlijke vogel met zijn zwart, wit en rood en zijn vermogen om een hele boom te doorboren – hoe kunnen nekspiertjes in zo’n klein vogeltje zo’n hamersnavel bedienen? „Het geheim van de wereld is het zichtbare.”

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos(Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)