Het debat over de nationale hond is nog niet voorbij

Ik kan me goed verplaatsen in Barack Obama. We zitten allebei met een imagoprobleem, en dat imagoprobleem wordt veroorzaakt door huisdieren.

Obama kondigde vorige week aan dat hij een puppy zal kopen voor zijn dochters als ze in het Witte Huis gaan wonen. Schattig, vond iedereen, maar ik denk dat bewoners van het Witte Huis wettelijk verplicht zijn om een hond te hebben. Dat straalt nationale veiligheid uit. Ik vermoed zelfs dat er een geheime lijst is met olijke, maar neutrale namen waaruit je dient te kiezen (a. Socks, b. Spot, c. Checkers).

Maar toen kwam Obama in de problemen. Wat hij over Irak, ziektekostenverzekeringen en de nationale schuld had gezegd, prima, best, allemaal goed, maar hoe zat dat precies met die hond? Hij wilde een goldendoodle, en iedereen viel over hem heen omdat dat een rashond was. Obama zou toch zeker wel een aftands, democratisch asielvuilnisbakje nemen?

Het debat over de nationale hond is nog niet voorbij. Niemand heeft gezegd dat het makkelijk was om president van Amerika te zijn.

Dit heb ik dus ook, ongeveer. Ik had twee katjes uit het asiel gehaald. Ze waren nakomelingen van een poes die zo woest was dat ze het asiel was uitgezet – toen mij dit werd verteld, hadden er wat alarmbellen moeten gaan rinkelen – en zo gedroegen ze zich ook. Ze verstopten zich permanent, omdat zij dachten dat ze op een toendra met gevaarlijke beesten leefden, in plaats van bij een vrouw die ze Whiskas Junior wilde handvoederen. Ze deden hun behoefte op bijzondere plekken. Ook beten ze. Hard. Tot bloedens toe.

Na wekenlang diplomatiek topoverleg met het asiel werd er besloten dat ze niet meer bij mij konden wonen. En, hopelijk, naar een ander baasje konden met een enorme tuin/toendra, een baasje dat niet zat te wachten op gezellig doen, maar op twee wilde katten die eventueel als waakhonden zouden kunnen dienen. De reacties van mijn omgeving waren niet mals. ‘Een kind kun je ook niet wegdoen’, werd mij door verschillende mensen verteld. Klopt, inderdaad. Vind ik ook een goede regel. Anderen wierpen slechts blikken op mij. Blikken die erg onaangenaam aanvoelden. Gelukkig zei een kennis die een week op de poezen had gepast, dat ze mij volledig begreep. Aan dat soort opmerkingen klampte ik me vast.

Ik was geen slecht mens. De poezen waren geen slechte poezen. We waren gewoon niet voor elkaar gemaakt.

Aaf Brandt Corstius