Er wordt luidruchtig voor elkaar gebeden

Na het bidden pakken de koorleden, gekleed in wit en rood, hun tamboerijnen en begint het zingen.

De sfeer houdt het midden tussen een schoolfeestje en de afloop van een bingoavond in een buurthuis. Het is maandagochtend, in de buurt van het Rotterdamse Zuidplein. Een week eerder zag ik een vrouw van middelbare leeftijd in een lange zwarte jas en een onhandige want blijkbaar zware boodschappentas in de metro papiertjes uitdelen.

Iedere keer zette ze de tas op de grond, haalde er drie verschillende papiertjes uit, die ze eerst kuste alvorens ze te overhandigen. Een ritueel op zich. Ik kreeg ook de voorgekuste briefjes, waaronder een uitnodiging voor een genezings- en bevrijdingsdienst in het Centro Evangelico ‘Iglesia di Dios’.

Het centrum is een grote, witte ruimte met donkerrode gordijnen. Zo’n 160 stoelen. Een podium met een blinkend drumstel, elektrische gitaren, een keyboard. Maar het is maandagochtend, regenachtig, en nog stil. De enige aanwezigen zijn medewerkers, het koor, diaken, de pastor, ouderling. Het publiek komt langzaam binnendruppelen, de dienst duurt tot half drie ’s middags. Toen dit centrum een kwart eeuw geleden werd opgericht door een Arubaanse pastor was de voertaal Papiaments, nu Spaans en Nederlands. Het publiek is buitengewoon divers. Als ongeveer vijftien kerkgangers zijn gearriveerd, kijkt de huidige pastor Pedro Colon naar de zaal en telt maar liefst negen nationaliteiten. Colombianen, Kaapverdiërs, Antillianen, Surinamers, Dominicanen, een enkele Haïtiaan, Nederlanders.

Eerst wordt er gezamenlijk gebeden, in alle talen, lijkt het, wat een licht sinister gevoel geeft. Want dat verwachtte ik eigenlijk ook: een sinister spektakel, hysterie, mensen die schreeuwend en huilend in trance raken. De werkelijkheid in dit centrum bij Zuidplein is anders. Milder, absoluut niet extreem, eerder jolig en plezierig, net wat ik zei: tussen een schoolfeest en een bingoavond in.

Na het bidden pakken de koorleden, die gekleed zijn in wit en donkerrood, hun rammelaars en tamboerijnen en begint het zingen. Vrolijk, en in alle talen, ik hoor Spaans, Nederlands, Engels, Sranang, het publiek klapt in de handen, staat op, er worden lichte dansbewegingen gemaakt, zelfs als de tekst er niet echt aanleiding toe geeft: „Toen ik in de put zat trok hij mij eruit, ik ben zo blij, Jezus redde mij”.

Vooral het lied in het Sranang, de lingua franca van Suriname, vereist enige behendigheid: er moet namelijk een sprongetje worden gemaakt, en een keer draaien om de eigen as, en dan het ene been omhoog en vervolgens het andere. Sommige kerkgangers hebben daar moeite mee, vanwege hun leeftijd en lichaamsgewicht, maar ze moeten er zelf om lachen als het niet lukt.

Het markante aan deze bijeenkomst is dat haast niets in stilte gebeurt. Al met al is er één minuut stilte geweest, toen iedereen met gesloten ogen in zichzelf bad. Maar voor de rest wordt er luidruchtig gebeden, niet voor zichzelf, maar voor elkaar. Bijna een uur lang heeft men liedjes gezongen, nu komen de spreekbeurten. Alles wordt vertaald, als iemand Nederlands spreekt volgt prompt een Spaanse vertaling en andersom, wat soms een kakofonisch effect heeft.

Ik wacht op het moment waarop de belofte van de uitnodiging wordt ingelost: wanneer begint nou de genezingsdienst? Een donkere man met dikke brilglazen en een zwaar Surinaams accent voert het woord. Hij is nagenoeg blind en tamelijk streng: „Heeft iedereen zijn telefoon uit? Want ik wil geen piepjes horen. En iedereen moet nu opstaan.”

Hij vertelt over het bloed van Jezus, dat ons allemaal reinigt en ons zal genezen van alle kwalen. Hij laat het publiek applaudisseren voor deze gave van Jezus Christus, maar als ik ten slotte het gebouw verlaat, overvalt mij een zekere mate van bevreemding: met zoveel overtuiging vertelde de meest hulpbehoevende in de zaal over de genezende kracht van Jezus. Om daarna weer naar huis te gaan – nog steeds blind.