Arme landen helpen kan zinvol zijn, maar doe het nu dan eens goed

De ontwikkelingshulp is versnipperd en niet effectief, terwijl het zoveel beter kan. Nota bene een Nederlander schetste eerder hoe het wel moet. Leer van hem, adviseert Jacob Kol.

Ruim vijf miljard euro. Daarover debatteert de Tweede Kamer deze week als de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking ter sprake komt. Er is veel twijfel over het nut ervan.

Laten we beginnen met een tweetal vaststellingen, die in de discussie volkomen evident zouden moeten zijn. Ten eerste: verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een land ligt bij dat land zelf. Ten tweede: de ontwikkeling van een land wordt voor het grootste deel (90 procent of meer) bepaald door het eigen beleid. De buitenwereld speelt uiteraard een rol, maar die is beperkt. En daarvan is ontwikkelingssamenwerking dan weer een onderdeel.

Een voorbeeld. Communistisch China groeide al flink onder Mao Zedong met 6 procent per jaar, maar kreeg pas vleugels nadat Deng Xiaoping vanaf 1981 het roer omgooide en het land openstelde voor handel en investeringen. De groei is nu al bijna drie decennia ongelooflijk hoog: 10 procent per jaar. De succesvolle factoren in dit beleid zijn al lang geboekstaafd door bijvoorbeeld de Wereldbank. Deze zijn: stabiel bestuur (hoeft niet per se volkomen democratisch te zijn, maar burgeroorlogen worden niet aanbevolen); deugdelijk financieel beleid (niet zo veel inflatie, geen omvangrijke begrotingstekorten en schulden); investeren in onderwijs, onderwijs, onderwijs; voorts: bevorderen van de private sector en openstelling voor handel en investeringen.

Vele landen ontwikkelden zich fabuleus, zonder (veel) hulp en tegen de handelsprotectie van het Westen in. Natuurlijk zegt de ontwikkelingslobby, dat deze Lessons of East Asia niet gelden voor andere landen. Maar ja, zij heeft er belang bij dat die landen arm blijven.

Is er dan geen enkele rol voor ontwikkelingssamenwerking? Ja, die is er. Maar om die duidelijk te zien moeten we leren van de beroemde econoom Jan Tinbergen. Volgens hem dienen ontwikkelingsoverdrachten te worden gericht op het creëren van productieve werkgelegenheid of op het tot stand brengen van de condities daartoe; alles voorzien van een deugdelijke verantwoording, uiteraard. Arme landen hebben namelijk een gebrek aan kapitaal om te investeren in ontwikkeling.

Maar hoeveel moet het dan zijn? In de loop van de tijd is de norm voor ontwikkelingssamenwerking veranderd. In 1968 werd de VN-norm gebracht van 1 procent van het Netto Nationaal Inkomen op 1 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP). Dit betekende een stijging met 25 procent. Later werd dit 0,7 procent. Maar dat is al lang verouderd. Tinbergen schreef al in de jaren tachtig, dat de norm flexibeler moest zijn.

In de eerste plaats dienen rijke landen naar draagkracht bij te dragen. Ten tweede zouden de benodigde ontwikkelingsoverdrachten moeten worden afgeleid van heldere doelstellingen. Onlangs bepleitte Tweede Kamerlid Boekestijn (VVD) een vermindering van het budget tot het Europees gemiddelde van 0,44 procent BNP. Dat is willekeurig en bovendien is het optreden van Boekestijn totaal ongeloofwaardig. Ook in 1991 bepleitte de VVD een reductie van het ontwikkelingsbudget. Sindsdien heeft de partij ruim twaalf jaar in de regering gezeten. De VVD staat er in de peilingen slecht voor en lanceert dan maar weer eens een onbenullige aanval op het ontwikkelingsbudget.

Hoe komt het dat de ontwikkelingssamenwerking zo ver is afgeweken van het rechte pad door Tinbergen gewezen? Het is al lang bekend dat multilaterale hulp stukken effectiever is dan de bilateraal gegeven hulp. Dat ligt ook voor de hand: bij bilaterale hulp is vaak sprake van gedwongen winkelnering in het donorland; en zo wordt de hulp ongeveer 20 procent minder effectief. De grootste problemen bij de effectiviteit zijn een gebrek aan coördinatie en een overvloed aan fragmentatie aan donorzijde. In 2005-2006 ontvingen 38 ontwikkelingslanden elk hulp van 25 donorlanden of meer; en in 24 van deze arme landen verschaften 15 donorlanden minder dan 10 procent van de hulp.

En elk van deze donorlanden heeft zijn eigen criteria, eisen en procedures, die de ontwikkelingslanden moeten toepassen en waarover ze moeten rapporteren. Dit is een veel te zware belasting voor hun toch al niet omvangrijke administratieve capaciteit.

Hoe komt het dat deze onzinnige versnippering in stand blijft? Dat komt omdat het voor de ontwikkelingslobby niet meer om de ontwikkeling van arme landen gaat. Dat is slechts een schaamlap voor de alomtegenwoordige egotripperij. Men wijdt er mooie woorden aan, maar gemeenschapsgeld is voor politici en ambtenaren iets waar ze hun eigen carrière mee bevorderen. De rest is hinderlijke bijzaak.

Wat er dient te gebeuren is duidelijk: alle ontwikkelingsgelden dienen multilateraal te worden besteed. De ambtenarij van ontwikkelingssamenwerking kan dan worden opgeheven.

Wanneer ontwikkelingsgelden multilateraal worden besteed aan het scheppen van productieve werkgelegenheid in arme landen, kunnen dus alle subsidies aan de ontwikkelingslobby in Nederland worden gestopt. En als de bevolking vindt dat Oxfam Novib c.s. goed werk doen, zullen de private fondsen vanzelf loskomen.

Als eigen goed beleid in arme landen voorwaarde is voor ontwikkeling dan is een goedkope vorm van hulp het stichten van een universiteit of aanhaken bij een bestaande voor modern management in de publieke en de private sector. Dit hoeft zelfs niets te kosten; immers de arme landen kunnen zelf hun studenten bekostigen. Maar het ministerie vindt dit niet ‘opportuun’.

Als gewapende strijd en andere chaos de ontwikkeling ontwrichten dan kan effectieve militaire interventie conditioneel werken.

En dan is er de samenhang met de buitenlandse handel. President Museveni van Oeganda zei in 2003: „We want trade, not aid.” Maar de landbouwlobby in de rijke landen houdt dit al decennialang tegen. De WTO in Genève heeft uitgerekend dat als ze die toegang wel zouden hebben, hun exportopbrengsten zouden toenemen met driemaal de totale ontwikkelingshulp. Het bovenstaande is duidelijk genoeg. Maar de politiek zal het niet uitvoeren. De oneigenlijke belangen staan een gezond beleid in de weg.

Jacob Kol is oud-hoogleraar economie. Hij was 20 jaar de assistent van professor Jan Tinbergen (1903-1994).

Discussieer mee over effectiviteit van ontwikkelingshulp op nrc.nl/discussie.