Trots op saaiheid

Vier kabinetten leidde CDA-leider Jan-Peter Balkenende in ruim zes jaar. Over de vraag of hij nog wel door kan als ook Balkenende IV valt, haalt hij zijn schouders op. Hij is de onbetwiste leider van het CDA dat dit weekeinde een partijcongres houdt. „Het is altijd Balkenende die de ideologische kant naar voren haalt.”

Op rustige toon hield de partijleider van het CDA bij het laatste congres in juni van dit jaar een speech. Met lange pauzes tussen de zinnen. Zijn handen ineengevouwen. Grote woorden schuwt hij niet. Hij haalde zelfs even Martin Luther King aan. Wat is het doel van iedere Christen, of misschien wel van ieder mens? To make justice a reality for all of God’s children, zei de partijleider. En het ging over gebrek aan respect in de samenleving. Hij zei dat „we terugmoeten naar de gouden regel van respect: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Aan het einde van de speech kreeg de ontspannen CDA-leider groot applaus. De duizend aanwezige CDA-leden gingen voor hem staan.

Zo zal het zaterdag ook gaan. Natuurlijk zal er best even pittig worden gediscussieerd. Zoals gebruikelijk heeft de altijd kritische Basisgroep Sociale Zekerheid – een groep CDA-leden die opkomt voor de minima – een motie in petto om wat aan de lage inkomens te doen. Maar de partijtop raadt dat voorstel af, en dus zal het congres het voorstel afwijzen. En de partijleider houdt dan ontspannen een toespraak. Het applaus zal weer volop klinken.

Want het CDA is de partij van de harmonie, met één man stevig aan het roer: de nu 52-jarige Jan Peter Balkenende. Precies zeven jaar geleden kwam hij uit de hoge hoed, na een korte, hevige machtsstrijd in de partijtop. Partijleider Jaap de Hoop Scheffer en voorzitter Marnix van Rij moesten het veld ruimen, en het relatief onbekende Kamerlid ging de partij leiden. Met deze man – vaak gepersifleerd, gehoond en bekritiseerd – profiteerde het CDA van de nasleep van de Fortuynrevolte. Het CDA kwam na de verkiezingen van 2002 terug in het centrum van de macht, en die leidende positie in het landsbestuur werd tot op de dag vandaag niet meer afgestaan.

Hoe heeft Balkenende dat voor elkaar gekregen? De kritiek van andere partijen ligt voor de hand, maar hoe ligt hij binnen het CDA? Wat is zijn bijdrage geweest aan de ideologische ontwikkeling van het CDA? Of is die bijdrage maar minimaal geweest?

Jan Peter Balkenende maakte het CDA na acht jaar van tobben en discussiëren onder leiding van Enneüs Heerma en Jaap de Hoop Scheffer weer tot een stabiele bestuurderspartij. „Balkenende was in 2001 een deel van het CDA, hij was het CDA niet. Nu is hij het CDA”, zegt Doekle Terpstra, voorzitter van de HBO-raad. Hij had het in de jaren 2002 tot 2004 als CNV-voorzitter vaak met hem aan de stok. „Hij werd in het begin neergezet als clown, klungelig. Maar als hij dit kabinet tot een goed einde brengt dan wordt hij van harlekijn tot staatsman.” Jan Schinkelshoek, CDA-Kamerlid: „Het eerste jaar was het wat zoeken en tasten. Het overkwam hem allemaal. Maar hij zei: als we iets willen voorstellen, dan moeten we het van de inhoud hebben. Dat heeft hij altijd voor ogen gehouden.”

Nu is het CDA een partij die er trots op is saai te zijn. Die misschien wel stabieler is dan ooit. En Balkenende is onomstreden in de partij. Ga naar een partijbijeenkomst waarbij over de grote thema’s als de zorg, de kenniseconomie en normen en waarden wordt gepraat, en de spetters vliegen er niet vanaf. Zoals op een grauwe woensdagavond in Tilburg. Vijftig mensen zitten in de aula van een scholengemeenschap. Het zijn vooral vijftigplussers. De sfeer is gemoedelijk. Vraag aan een CDA-lid naar Balkenende en hij of zij is positief. „Hij is consequent en heeft een rechte rug”, zegt een vrouw na afloop van een partijbijeenkomst in Tilburg. „Hij is misschien het tegenovergestelde van een goede verkoper”, zegt de rector van een scholengemeenschap. „Maar hij wordt veel te veel afgerekend op uiterlijk vertoon. Jan Peter staat voor inhoud.” De voorzitter van CDA Brabant, Hans Janssen, vindt dat hij een „geweldige prestatie” heeft geleverd door drie keer de verkiezingen te winnen. „De onbetwiste leider. En gewoon een gezellige vent met wie je een biertje drinkt.”

Maandagochtend in het Torentje. Een uur praat hij op zijn bekende, ongearticuleerde manier. Aan het einde zegt hij: „Ik heb even in hoger tempo gesproken maar u heeft het gelukkig opgenomen.” Eén, misschien twee keer, is er lichte irritatie te bespeuren. Als hij met kritiek wordt geconfronteerd kijkt hij over zijn bril en pruilt hij. Zoals bij de vraag of hij nog wel doorkan als Balkenende IV het vierde kabinet van hem wordt dat de eindstreep niet haalt. Balkenende haalt zijn schouders op. Hij legt dan uit dat de kabinetten vielen „buiten de premier om”. De LPF kwam in een enorme leiderschapscrisis terecht, en D66 zei gewoon: Verdonk eruit of wij eruit. Maar dan zegt hij ineens: „Maar waarom deze vraag eigenlijk? In wat voor tijden leven we? Met de economie is het alle hens aan dek. Dat aan dit soort zaken aandacht wordt besteed. De hardcore ligt echt ergens anders.”

Maar verder is hij ontspannen. Kritiek heeft hij genoeg gehad in die zeven jaar. Eén van zijn kwaliteiten is dat hij zich daardoor niet van de wijs laat brengen. „Ik heb alles meegemaakt. Na een paar dagen begon al het gezeur over mijn haar, mijn bril en mijn pak. Maar dat ging over. Later waren er ombuigingen, harde maatregelen. Ook in de partij waren er geluiden: moet dit allemaal. Maar dat gezegd hebbend; ik heb er nooit één dag spijt van gehad dat ik het heb gedaan.”

Vraag hem, of mensen rondom hem, naar zijn motivatie, of naar het politieke spel, of naar zijn stijl van leiderschap, dan komt altijd één punt: de inhoud. Eigenlijk wilde hij een jaar of acht Kamerlid zijn. Maar in 2001 ging het snel, toen het CDA in een leiderschapscrisis terechtkwam. Politiek bedrijven is ook op het juiste moment macht naar je toetrekken, en Balkenende stak op het juiste moment zijn vinger op. Hij zegt zelf over die periode: „Jaap de Hoop Scheffer had net bij de algemene beschouwingen een stapeltje rapporten naar de Kamer gebracht. Met als signaal: wij zijn er inhoudelijk klaar voor. Dat laten we toch niet wegspoelen, dacht ik. Ik heb toen gezegd: het CDA moet terug op de politieke landkaart, deze crisis moeten we achter ons laten.” En dat hij zo snel premier werd: „Het is vrijwel nooit voorgekomen dat een premier niet eerder als minister in een kabinet had gezeten. Maar ik sprong op een rijdende trein, na twee dagen had ik het gevoel dat ik er al lang zat. Dat kwam omdat we een inhoudelijk verhaal hadden.”

In een eerder leven hield hij zich vooral met die inhoud bezig. Als promovendus en hoogleraar aan de Vrije Universiteit en als lid van het Wetenschappelijk Instituut (WI) van het CDA. Daar werkte hij vanaf 1984, samen met onder meer de huidige minister Ab Klink en Eerste Kamervoorzitter Yvonne Timmerman-Buck. „Een van onze knapste koppen”, zegt toenmalig WI-directeur Arie Oostlander. „Een levendige wetenschappelijke club. Als iemand een stuk had gemaakt, dan gaven we altijd harde kritiek.” Soms werd een stuk letterlijk verscheurd. Balkenende was toch wel meer dan de anderen gevoelig voor kritiek, weet Oostlander nog.

Naast de inhoud was er altijd lol. De imitatie van de presentator van EO’s muzikale fruitmand door Balkenende schijnt legendarisch te zijn. En die keer dat partijvoorzitter Wim van Velzen naar het instituut kwam om te vertellen dat ze bij het WI wat meer rapporten moeten afscheiden. Balkenende stak de draak met de kritiek en maakte een ‘flow diagram’ met woorden als helikopterview, input en output. Hij hing het op in de hal, de partijvoorzitter had de grap niet door en was onder de indruk. Het was ook in die tijd dat hij als gemeenteraadslid in Amstelveen de nog steeds geldende krokettenmotie indiende: als een vergadering langer dan tot elf uur duurt hebben de raadsleden recht op een kroket.

Balkenende ontwikkelde in die tijd zijn christen-democratische visie op de maatschappij, vooral op de rol van de overheid. Hij vond dat de verzorgingsstaat was doorgeschoten. Hij zette zich af tegen het heersende maakbaarheidsdenken. Dat is ook terug te lezen in zijn proefschrift uit 1992, Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties. Balkenende trekt daarin de conclusie, meer met ideologische dan met wetenschappelijke argumenten, dat het niet de taak is van de overheid op alle sectoren te sturen, „wel om te bevorderen dat nieuwe, private afwegingsmechanismen kunnen groeien en dat minimumvoorwaarden in acht worden genomen”. Het is die lijn die hij doortrekt als politiek leider en premier: de verzorgingsstaat moet compacter. Of zoals een deel van het CDA, en ook Balkenende, zegt: gespreide verantwoordelijkheid, de sociale zekerheid omvormen waardoor mensen worden aangesproken op hun kracht, niet vanuit de hangmat.

Balkenende valt met deze overtuiging terug op Abraham Kuyper, in 1879 de oprichter van de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Woensdag onthulde hij in Maassluis nog een standbeeld van Kuyper. Hij noemde zichzelf een Kuyperiaan in hart en nieren. „De man die bepalend is geweest voor mijn persoonlijke ontwikkeling.” Als hij over Kuyper praat gaat hij rechtop zitten. Kuyper ging uit van maatschappelijke kringen – overheid, maatschappelijke verbanden, de kerk, de economie – die naar aard en roeping soeverein zijn. Het was het antwoord op het staatssocialisme, en op de nachtwakerstaat van de liberalen. „Dat verhaal staat nog steeds overeind. Dat je werkt aan de relatieve autonomie van de kringen, dat je nadenkt over de rol van de overheid.”

Dat is wat zijn eerste kabinetten doen: de rol van de overheid terugdringen en hervormingen doorvoeren in de sociale zekerheid. Daarmee kwam de kritiek, ook uit zijn eigen partij. CDA’ers aan de linkerflank vonden dat de partij haar sociale gezicht had verloren. Maar het verzet barstte niet echt los.

Marcel ten Hooven, als hoofdredacteur van Christen Democratische Verkenningen verbonden aan het WI van het CDA, noemt Balkenende aan de ene kant een christen-democraat pur sang. Aan de ander kant ontpopte hij zich de laatste jaren als een „liberaal zijns ondanks”. „Hij wil dat de staat zich terugtrekt, en hoopt op nieuwe verbanden. Maar als de humuslaag van de overheid is verdwenen en het particuliere initiatief neemt het niet over, dan kom je in het liberale model terecht, dan wordt het: ieder voor zich.” Ook Oostlander, die door Balkenende wordt omschreven als „mijn grote inspirator van de jaren tachtig”, sprak al een keer die vrees uit voor „een liberale woestenij waarin burgers voor zichzelf moeten opkomen”.

Maar het zijn geluiden die niet veel in de partij te horen zijn. Partijvoorzitter Peter van Heeswijk vindt juist dat „de denker en doener” Balkenende als premier zijn ideeën over de doorgeschoten rol van de overheid knap in de praktijk heeft gebracht, eerst in een coalitie met VVD en D66. En nu met PvdA en ChristenUnie wordt er niks teruggedraaid. Van Heeswijk: „De cijfers geven hem gelijk. Er zijn meer mensen aan de slag gegaan, en de arbeidsparticipatie loopt op. Balkenende heeft een geweldige trackrecord.”

Betutteling, spruitjeslucht, jaren vijftig. Meteen nadat hij de leiding van het CDA in handen kreeg ging Balkenende een punt maken van het gebrek aan respect in de samenleving, van waarden en normen, van „fatsoen moet je doen”. Er was voortdurend commentaar op. „Maar ik hield er geen rekening mee hoe er in Den Haag over werd gesproken, of door opinion leaders. Ik wist dat dit leefde in het land”, zegt Balkenende.

Hij kwam er openlijk voor uit dat hij zich liet inspireren door Amitai Etzioni. De Amerikaanse socioloog en filosoof is een ‘communitarist’. Hij stelt een nieuwe gemeenschappelijke basis voor een samenleving voor – volgens Etzioni iets tussen assimilatie en multiculturalisme in. Diversity within unity, verscheidenheid binnen eenheid. De samenleving is een mozaïek, maar die moet wel bij elkaar worden gehouden door gemeenschappelijk gedragen normen en waarden. Oostlander snapt niet dat Balkenende zo met Etzioni wegloopt. „Uiteindelijk komen de communitaristen wel dichtbij ons uit. Maar ik ben altijd benauwd je helemaal over te leveren aan één filosofie.” Etzioni benadrukt volgens hem te veel dat er sprake is van één samenleving. „Uiteindelijk wordt het dan nationalistisch.” Hij ergert zich ook een beetje aan de Nederlandse driekleur in de vlag van het CDA, en dat op partijraden het Wilhelmus wordt gespeeld. „Ik ben niet in de eerste plaats Nederlander, ik ben in de eerste plaats Christen.” Ook Marcel ten Hooven is bang dat je groepen uitsluit door zo aan te dringen op één gemeenschap. „Dan druk je groepen al snel in een isolement. Welke groepen? Dan kom je al snel uit bij moslims.”

Allebei vinden ze dat het gedachtegoed van Kuyper – het benadrukken van verschillende maatschappelijke kringen – zich niet goed verdraagt met het gemeenschapsdenken van Etzioni. Balkenende legt de kritiek van zijn leermeester Oostlander naast zich neer. Etzioni benadrukt juist wel de verscheidenheid, vindt hij. Dat sluit uit aan bij de maatschappelijke kringen die Kuyper onderscheidt. Balkenende beklemtoont zelf ook de veelzijdigheid van Nederland, met allerlei verschillende culturen. „Maar je moet altijd letten op gemeenschappelijkheid, anders krijg je versplintering. Dat kan de taal zijn, de rechtsorde en gemeenschappelijke waarden.”

Balkenende-de-premier verdrong de afgelopen jaren Balkenende de partij-ideoloog. Hij werd van denker tot uitvoerder. Tijd om nog ideologische getinte studie te verrichten of stukken te schrijven was er niet meer. Hij was de premier in een roerige politieke periode. Zijn leiderschapstijl kenmerkte zich volgens critici door afwezigheid op belangrijke momenten. Hij opereerde in een aantal kwesties minder sterk: zijn eerste kabinet viel op de dag van de bijzetting van prins Claus, minister Donner moest hem tijdens een debat over de kwestie-Mabel nogal opvallend souffleren en door zijn hardnekkige weigering geen openheid te geven over de steun aan de inval in Irak, hangt deze zaak nog steeds boven de markt. Anderen zeggen juist dat Balkenende, soms op de achtergrond, sterk aanwezig is. Hij is niet iemand die als zijn voorganger Ruud Lubbers voortdurend zijn ministers belt om even „mee te denken”, maar ziet zichzelf meer als teamspeler, die uitgaat van de eigen verantwoordelijkheid van de spelers. Hij zegt hierover: „Er zullen geen dingen gebeuren waarvan ik zeg: dat mag niet gebeuren.”

Het aansturen van de ministersploeg is de afgelopen jaren wel serieuzer geworden. „Ik heb delivery-gesprekken met de bewindslieden”, zegt Balkenende. Die functioneringsgesprekken noemt hij zo omdat ze naar Brits voorbeeld zijn ingevoerd. Tony Blair richtte de Prime Ministers Delivery Unit op. Dat gebeurt nu ook op Balkenendes ministerie van Algemene Zaken. Een boek over de Delivery Unit gaf hij aan alle bewindslieden.

„Ik ben erg resultaatgericht”, zegt Balkenende. Een voorbeeld van de werking van het nieuwe systeem noemt hij zelf het terugdringen van de administratieve lasten. Hij vond dat dit te langzaam ging. Hij riep de drie verantwoordelijke staatssecretarissen Heemskerk (Economische Zaken), De Jager (Belastingen) en Bijleveld (Binnenlandse Zaken) bij zich om betere maatregelen af te dwingen. „Er is na intensief contact een uitstekend pakket gemaakt”.

CDA-senator Hans Hillen vindt dat Balkenende zich verbazingwekkend goed heeft ontwikkeld als premier. In de beginjaren had VVD’er en minister van Financiën Gerrit Zalm misschien nog erg de touwtjes in handen. Maar zijn gezag groeide snel, zeker in het CDA. „Een ervaren leider heeft een leeg bureau, en zijn bureau werd steeds leger. Hij is zijn aandacht gaan verleggen naar het internationale, naar Europa. Dat zie je vaak bij premiers die Nederland onder de knie krijgen.”

Als partijleider van het CDA heeft hij de touwtjes niet strak in handen. Maar de partij wordt wel strak geleid. Het is veel meer een team rondom de partijleider dat bepaalt wat de politieke strategie moet zijn. Er zijn geen Kamerleden die zonder afstemming en toestemming een eigen plan trekken, nauwelijks partijprominenten die kritiek leveren. Naast Balkenende wordt de partijlijn bepaald door de partijvoorzitter en fractieleider Pieter van Geel. Belangrijk is nog steeds Jack de Vries, nu staatssecretaris, daarvoor communicatiestrateeg en de politiek adviseur van de premier. Hij zit in het permanente campagneteam, net als bijvoorbeeld politiek adviseur Jeroen de Graaf, Kamerlid Jan Schinkelshoek, hoofd communicatie van het partijbureau Michael Sijbom en fractievoorlichter Pieter Heerma. Ook Martijn Lampert van onderzoeksbureau Motivaction schuift daar geregeld bij aan.

Zo’n team bestond al voor Balkenendes leiderschap, maar het kreeg onder hem wel vastere vorm. „Het is altijd Balkenende die in het permanente campagneteam de ideologische kant naar voren haalt”, vertelt Jan Schinkelshoek. „Even terug naar de inhoud, zegt hij dan. We hebben het dan nauwelijks over opiniepeilingen, wel over de onderliggende trend. Balkenende weet als geen ander dat electorale successen vanuit de ideologie komen.”

Maar hoe is het dan met de visie van het CDA op de problemen van de toekomst: de multiculturele samenleving, het klimaat en duurzaamheid, de vergrijzing, de vastgelopen woningmarkt? Deze vraag lokt de meest fundamentele kritiek op de partij uit. Het CDA zou wel wat meer een activistische middenpartij mogen zijn, minder risicomanagement, minder saai. Maar dat druist in tegen de huidige, vaste partijlijn: het land is bij ons in goede handen. Senator Hans Hillen: „Jan Peter is een leider van de harmonie. Maar wie met zijn gezicht naar de harmonie loopt, loopt met zijn rug naar de toekomst.” Balkenende begon volgens Hillen met een sterke ideologische agenda: terug naar fatsoen en de eigen verantwoordelijkheid. „Maar ik had meer ongeduld verwacht, meer concrete voorstellen om het fatsoen terug te brengen in de samenleving.” Hij mist vergaande visies op groen versus landbouw, op de mobiliteit, op de problemen in de wijken of op het maatschappelijk ondernemen. „Het CDA is programmatisch tot stilstand gekomen. Goede programmatische onderbouwing is de brandstof voor elke politieke partij. Als je pragmatisch wordt, dan word je ambtelijk.”

Ex-vakbondsman Doekle Terpstra vindt dat er te weinig debat is. „Een partij die aan de macht is, moet niet stil gaan zitten. Je moet tegenspraak organiseren. Het merendeel van de kiezer zit met smart te wachten op een partij die keuzes durft te maken.” Hij vindt dat Balkenende te veel gelijkgestemden om zich heen heeft verzameld. En Balkenende zou met zijn gezag veel meer onderwerpen kunnen agenderen, taboes aanroeren, vindt Terpstra. „De hypotheekrenteaftrek bijvoorbeeld. Waarom niet? Ook heeft het CDA nog geen goed en duidelijk antwoord op de multiculturele samenleving, of op de grotestedenproblematiek, op de duurzaamheid.”

Zijn leermeester Arie Oostlander noemt Balkenende „een van de meest ideologisch gedreven premiers, niet veel minder dan Joop den Uyl”. Maar ook hij vindt dat Balkenende wel wat vaker „een keihard richtinggevend verhaal” zou mogen houden, bijvoorbeeld over Europa.

De partijleider zelf zegt „een groot besef” te hebben dat de partij zich door moet ontwikkelen. In de jaren tachtig toen het CDA 54 zetels had, zag hij het ook: het leek allemaal vanzelf te gaan. En dat moet niet weer gebeuren: „We hebben het vuur nodig van onze eigen beweging. Dat besef is ook in de partij heel nadrukkelijk aanwezig.” Hij wijst, net als partijvoorzitter Van Heeswijk, op debatten in de afdelingen die moeten bijdragen aan de programma’s voor de komende verkiezingen (Europees Parlement in 2009, gemeenteraden 2010 en Tweede Kamer 2011). Het Wetenschappelijk Instituut werkt, na wat personele wisselingen, aan allerlei rapporten, over integratie, over ontwikkelingssamenwerking, over de woningmarkt. „Kortom”, zegt Balkenende, „het denken gaat door. Dat is een les die we geleerd hebben bij het CDA. Nooit alleen maar letten op het het hier en nu. Altijd kijken naar de toekomst van het land.”

En die toekomst is met Jan Peter Balkenende: „Mijn agenda reikt tot 2015. Ik wil daar gewoon mee doorgaan.” Ook als premier? „Dat zullen we wel zien. Maar mijn horizon stopt niet in 2011.”