Treurig

En weer is het zo ver: Arjen Robben zeker zes weken uit roulatie.

Zo staat het in de krant. Je leest het en je denkt: wanneer niet dan?

In mijn beleving is de charmante vleugelspits al een jaar of tien uit roulatie. Een enkele keer zag je hem nog een warming-upje doen, maar niet dat hij het meende.

Arjen Robben: eeuwig durend blessureleed.

Het leven als een gure oostenwind.

Uitgerekend hij die door Cruijff ooit de beste voetballer van de wereld is genoemd.

Of zoals BBC-commentator Alan Hansen zei: „Robben heeft alles, behalve haar.” De woorden waren nog niet koud of de gracieuze Chelsea-spits was alweer in een hamstringblessure gesukkeld.

Altijd gaat het mis. Of een opspelende hamstring, of gebroken voetbeentjes, of een schurende meniscus, of een kantelend dijbeen. Daar bovenop: schouder uit de kom, verstuikte pols. Dit alles in één seizoen.

Hoe kan je dan nog mooi oud worden? Arjen is pas 23.

Bij de F’jes van VV Bedum werd de bal altijd aan hem gegeven. De gedachte was: loop jij d’r even door en schiet ’m d’r in, dan winnen we wel. Dat deed hij dus, een jeugd lang.

Maar in zijn eerste gloriejaar bij PSV knapte het lichaam: na drie wedstrijden vond de hamstring dat het wel mooi was geweest. Ineens liep de man die in een hallucinante flits een verdediging kon splijten op krukken.

Zelfde verhaal bij Oranje, Chelsea en nu dan bij Real Madrid. Een seizoenlang blessurevrij is Robben niet meer geweest. Terwijl hij in Londen toch flink was doorgegroeid, als body.

Als hij op een vrije dag weer eens bij zijn F’jes van weleer was, liep hij almaar tegen een kreet van verwondering aan: „Hé, wat ben jij breed geworden.” Nou ja: „Krachthonk!”

Als spits schiet je wat makkelijker in een ongemak. En soms krijg je een schop van achteren, daar kun je niets tegen doen. Toch hoorde Robben van Marco van Basten dat hij wat goochemer moest zijn in de duels. Met dat soort wazige bijbelteksten krijg je een Groninger niet aan het denken.

„Goochemer? Hoe dan?” In een onbewaakt moment vertrouwde Arjen mij toe dat zijn hart nog steeds uitgaat naar een vrije rol, naar de nummer 10. Hij dacht dat het zou schelen in blessureleed.

Ik dacht het niet.

Robben wordt op de hielen gezeten door het noodlot. Door een onafwendbare macht die de vloer aanveegt met dokters, conditietrainers en haptonomen. Berusting helpt ook niet. Zelfs op weg naar de tram ga je, Arjen Robben zijnde, door je rug. Het lot is niet te keren, niet door olierijke massages of kundige warming-ups. Niet door wierookstaafjes, een cd met walvisgeluiden, gebatikte sjaaltjes, Japanse kimono’s, poncho’s uit de Andes. Strelinkje van Bernadien? Niet op noppen. Zo werkt het niet.

Arjen blijft het proberen, tegen beter weten in. Wat moet die jongen sterk zijn, in zijn hoofd. Ook altijd zo keurig in de ellende. Brazilianen waren, in zijn geval, aan de drank gegaan, of aan travestie. Robben ploetert maar door in zijn gevecht op leven en dood. Want dat is het natuurlijk wel, voor de beste speler van de wereld die steeds weer in de lappenmand ligt.

Zou er niet iets van spijt knagen? Misschien was Arjen toch beter bij PSV gebleven. Daar duurt de opbouw van een aanval meestal een kwartier. Het spel is niet zo fysiek als in Engeland en Spanje. Met een schijnbeweging of drie is het volk best uitzinnig van geluk. Zeker nu coach Huub Stevens er het Kohlenpott-voetbal heeft geïntroduceerd, als hoogste ideaal. Met zijn experimentele vernuft had Robben wel zeshonderd maagden kunnen laten dansen, na een dribbel.

Ach, weet hij veel wat maagden zijn?

Arjen is zichzelf gebleven. Het kouwelijke bidprentje van de polder. Als bieten spieren waren, zou hij nu helemaal thuis zijn. Maar ja: eens wenkt de glorie. Eens wordt Bedum een stad. Eens zit globalisering in de wreef.

Dan maar naar Chelsea, of naar Real Madrid. Toen we elkaar ontmoetten, resideerde hij in Cobham, net buiten Londen. Hij zei dat hij zo gelukkig was als hij met labrador Noa door de dreven van de buitenstad kon wandelen. Ik zag hem lopen: kale vijftiger, gebogen naar kastanjes, het diepe verlangen om ondergronds te gaan. Houtje tussen de tanden, als schijnbeweging. Voor mevrouw. Weemoed alom. Hoe doe je dat in Madrid? Waar alles anders is. Waar honden van god los zijn. Gekneusde nekwervel? Dat kan alleen Fernando Alonso overkomen. Daar sta je, met je Hollandse kop en een spierscheuring.

En je hoopt: kaas als troost. Het volk denkt: toch liever niet.