Onderwijsinspectie is een ramp voor goedlerend Nederland

Jan en Alleman bewees lippendienst aan de inhoud van het onderwijsrapport-Dijsselbloem. Inderdaad, lippendienst. Want ondanks de ernstige verwijten richting ‘het veld’ verandert er niets.

Bestuurslid Beter Onderwijs Nederland

De parlementaire onderzoekscommissie- Dijsselbloem velde in haar rapport Tijd voor onderwijs een hard oordeel; onder meer over het Nieuwe Leren en de Onderwijsinspectie. Een ernstig verwijt was dat de Inspectie zich jarenlang veel te veel had ingelaten met de manier waarop onderwijs werd gegeven. De overheid moest zich gaan bezighouden met het ‘wat’ en niet met het ‘hoe’. Maar de Inspectie trekt zich niets aan van de conclusies en gaat gewoon op de oude voet verder: scholen moeten voor een voldoende beoordeling de didactiek hanteren die de Inspectie het liefste heeft, het Nieuwe Leren.

In Staphorst staat basisschool Doornveld, een school die tot de beste 10 procent van Nederland gerekend kan worden. De school zou een voorbeeld kunnen zijn voor heel Nederland, een school waar prestaties van leerlingen en leraren nog gewaardeerd worden, net als de hoge graad van ouderparticipatie. De didactiek van Doornveld is gebaseerd op modern klassikaal onderwijs, waarbij leraren met kennis, kunde en ervaring leerlingen al tien jaar naar een zeer hoog Cito-resultaat van 541 (landelijk 535) gemiddeld weten te brengen.

De kinderen kunnen rekenen en schrijven als de beste, zijn sterk in informatieverwerking en wereldoriëntatie en zijn sociaal-emotioneel goed ontwikkeld. De school vindt bovendien tijd en gelegenheid om met de leerlingen door de natuur te zwerven, schrijvers uit te nodigen, kunst- en cultuurprogramma’s te volgen en boeiende excursies te organiseren.

Echter, de Onderwijsinspectie vindt basisschool Doornveld niet goed genoeg: de school zou op een aantal punten voldoende scoren als de didactiek aangepast werd, en wel in de door de Inspectie gewenste richting. Al bij binnenkomst van de Inspectie ging het mis. De boodschap die Bart Hoeve, de directeur van deze school, al meteen kreeg was dat „de school aan het eind van de dag vermoedelijk wel tegen een aantal onvoldoendes zou oplopen”. Kennelijk was voor de Inspectie de aanblik van keurige schooltafeltjes en de rustig werkende leerlingen een tamelijk vreemd tafereel. Aan het eind van de dag had de school al de eerste negatieve beoordeling binnen. De bevoegde en ervaren leraren legden niet goed uit en van de zelfstandig werkende leerlingen hadden meneer en mevrouw de inspecteur veel te weinig gezien.

Hoewel het onderzoek van Dijsselbloem de Inspectie van het voortgezet onderwijs betrof, wijst alles erop dat de Inspectie in het basisonderwijs niet anders te werk gaat. In het Toe-zichtskader Primair Onderwijs van de Inspectie staat onder meer het volgende: “De leerlingen hebben verantwoordelijkheid voor de organisatie van hun eigen leerproces die past bij hun ontwikkelingsniveau”. Een school zoals Doornveld die kinderen aan de hand neemt om ze iets te leren, is bij de In-spectie dus aan het verkeerde adres.

In haar proefschrift ‘Toezicht en Schoolverbetering’ (2006) gaf Melanie Ehren al aan dat de Inspectie zich tegenover scholen wisselend opstelt. Zij constateerde in verschillende casestudies in het basisonderwijs dat de Inspectie vond dat „leraren te weinig adaptief” te werk gingen. Scholen die een goede beoordeling wilden, moesten de didactiek volgen die de Inspectie graag zag. De Inspectie begeeft zich hiermee op het terrein van de scholen zelf. Lessen trekkend uit ‘Dijsselbloem’ zou deze overheidsorganisatie zich ten aanzien van de pedagogische aanpak op scholen zeer terughoudend op moeten stellen: pas ingrijpen (het hoe) als het resultaat (het wat) onder de maat is.

Inmiddels geeft de Inspectie aan dat een kwart van onze basisschoolleerlingen uit groep 8 onvoldoende of helemaal niet kan lezen of rekenen. Dat is juist gezien. Verontrustender is dat over de oorzaken van deze achterstand de meningen ernstig uiteenlopen. Voor menigeen is het evenwel overduidelijk dat het Nieuwe Leren (dat wil zeggen, leerlingen zijn verantwoordelijk voor de organisatie van hun eigen leerproces, precies zoals de Inspectie het wil) en het uitsluitend leerlingen leren ‘realistisch’ te rekenen, de grote boosdoeners zijn.

Leertuinen in plaats van klaslokalen, begeleiders in plaats van leerkrachten, ‘doet leuk mee’ in plaats van een cijfer, deelnemers in plaats van leerlingen, realistisch rekenen in plaats van cijferen hebben niet gebracht wat er allemaal beloofd werd.

Ondertussen strooien de bewindslieden van onderwijs ondoordacht en ad hoc met geld voor het verbeteren van het rekenonderwijs, voor het oprichten van academische pabo’s, voor het tegengaan van schooluitval, voor het habbekratserig verhogen van de lerarensalarissen en voor het subsidiëren van hobbyonderwijs zoals ‘Iederwijs’, waarbij het ontbreken van concrete eindeisen voor het basisonderwijs zich wreekt.

Het ontbreekt de overheid nog steeds aan een visie op het onderwijs, een visie die gebaseerd zou moeten zijn op de lessen die getrokken kunnen worden uit het rapport-Dijsselbloem: alleen de onderwijsvernieuwingen toestaan die evidence based zijn. In het verlengde hiervan is het ook buitengewoon merkwaardig dat de oorzaken voor de verschillende problemen in het onderwijs, zoals schooluitval, niet worden gezocht in de manier waarop kinderen onderwijs krijgen en dat niet of nauwelijks wordt gekeken naar de inhoudelijke kwaliteit van de leerkracht of docent die het onderwijs verzorgt.

Scholen zijn doodsbang voor de Inspectie. Ze zijn erg afhankelijk van het oordeel van deze overheidsinstantie. Zij kan een school een onvoldoende geven en onder toezicht stellen. Dit heeft gevolgen voor het imago van de school en – daaruit voorvloeiend – voor de aanmeldingen. Dus kijken scholen uit om hun negatieve ervaringen met de Inspectie aan de grote klok te hangen. Echter, de Vereniging Beter Onderwijs Nederland heeft van verschillende scholen uit alle delen van het land signalen ontvangen dat de Inspectie zich niets aantrekt van ‘Dijsselbloem’. Het optreden van de Inspectie op de basisschool in Staphorst is dus bepaald geen incident.

De Inspectie, het onderwijsmiddenveld, schoolbesturen en onderwijskundigen leken de kritiek van Dijsselbloem te onderschrijven, maar er veranderde niets. En voor het kabinet lijkt de conclusie van Dijsselbloem – „de overheid heeft haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig verwaarloosd” – een loze kreet.